26 februari 2010

Droom - Martin Wings

Zijn angstzweet brak uit, terwijl tegelijkertijd een snijdend

scherpe koude wind langs zijn lichaam gleed. Daar lag hij

dan op een richel kalksteengebergte ter breedte van een

evenwichtsbalk, alsof hij op de nok van een dak lag, een

arm en een been ieder aan een zijde van het kalksteentalud

geklemd. Waar het talud eindigde waren aan beide zijden

diepe kloven, maar dat kon hij vanuit zijn positie niet zien.

Waarom moest hij ook altijd van de aangegeven paden

afwijken?

Vaag in de verte hoorde hij stemmen van andere mensen,

die wel de voorgeschreven veilige route afwerkten. Zijn

lichaam leek verlamd, voelde zwak aan, leek gewichtloos te

worden, zou hij van angst zijn bewustzijn kunnen verliezen?

Bewegen kon hij niet, durfde hij niet, het was uitgesloten

dat hij op eigen kracht zijn positie kon verlaten. Hij

begon te roepen, eerst zwak daarna steeds iets harder. Als

hij de stemmen van anderen kon horen, zouden die hem

toch ook moeten kunnen horen? Hij besefte opeens dat dit

ook afhankelijk van de windrichting was. Zou zijn scooter,

die hij in het dal geparkeerd had niet gestolen worden?

Het zou niet meer lang duren voor het donker werd en de

toeristen naar huis zouden gaan, één van hen misschien

met zijn scooter. In het opbergvak onder het zadel had hij

zijn geld en persoonlijke papieren opgeborgen. Zouden ze

hem later ooit in het ravijn vinden dan wisten ze niet wie hij

was. Hij had met opzet zijn auto thuis gelaten, wilde de

wind door zijn haren voelen.

In de verte dacht hij een helikopter te horen. Na enkele

minuten wist hij het zeker, het geluid kwam steeds dichter

bij, ze waren hem aan het zoeken. Twee mannen daalden

vanuit de helikopter af aan een kabel naar zijn richel. Ze

liepen over de evenwichtsbalk alsof ze nooit iets anders

gedaan hadden, hesen hem in een soort tuigje, waarna ze

gedrieën in de helikopter getrokken werden. Gered.

In de helikopter begon een van de mannen een rekening uit

te schrijven en overhandigde deze aan hem. Toen hij het

bedrag zag werd hij, badend in het zweet, klaar wakker.

6 januari 2010

de eenzame strijd van Victor Quesada - Jan Sonneveld

Op 2 november 1978 kwam in de Spaanse havenstad Gijon het Argentijnse passagiersschip Malvinas aan. Aan boord Victor Quesada, niemandsvriend uit Eduardo Castex. De Malvinas had een barre tocht over de oceaan achter de rug, met als resultaat dat menig passagier gebukt ging onder zeeziekte. Tussenstops in Rio de Janeiro, Ponta Delgada en Santa Cruz de Tenerife had de opvarenden enigszins op adem doen komen, maar het ellendige weer op zee had de laatste twijfelaar toch doen besluiten voortaan het vliegtuig te kiezen. De bootdienst Spanje-Argentinië zou binnen enkele maanden definitief tot het verleden behoren.

Victor Quesada echter was de enige passagier die zich als een blok door de woelige baren heensloeg, opgeslokt als hij was door een dik boek met een muffig kaft met 756 bladzijden, dat hij in zijn hutkoffer meedroeg. Elke dag dwong hij zichzelf tot het lezen van 12 bladzijden uit De vernuftige edelman Don Quichote van La Mancha, een taak die vergemakkelijkt werd door de massale zeeziekte van zijn medepassagiers. Quesada had niet te lijden aan afleiding door medemensen.

Na 63 dagen arriveerde de Malvinas in Gijon en had Victor Quesada het boek uitgelezen. Monter betrad hij de kade, ademde de zilte lucht en zei tot zichzelf: ‘Het is zover.’

Victor was op 4 september 1945 ter wereld gekomen als zoon van Rafael Javier Quesada en Isabella Macfarlane. Vader Rafael was afkomstig uit een boerengeslacht, moeder Isabella de kleindochter van een Engelse immigrant. Als de vierde boerenzoon Quesada was Victor grootgebracht op een grote hoeve vlak buiten Eduardo Castex in het departement Conhelo in de provincie La Pampa. Het was geen gelukkige jeugd. Regelmatig waren er de stokslagen van vader en slechts de stille liefde van zijn moeder. Victor groeit op tot een wrokkige eenzaat, die het zijn vader niet gunt dat hij wellicht nog eens zal deugen. Hij heeft maar een droom. Vrijheid, weg onder het vaderlijke juk. Cowboy worden. Gaucho. Hij houdt intens van de natuur en verlangt naar het buitenleven. Maar op de boerderij maakt zijn vader hem gek. Victor is een gevoelige jongen, maar laat zijn omgeving alleen een ongeïnteresseerde, hardvochtige jongeman kennen. Op een avond, Victor is dan zestien jaar oud, maakt hij aan tafel een spottende opmerking, gericht aan zijn vader. Rafael schiet uit zijn slof. Hij geeft zijn zoon een aframmeling van jewelste.

Nog diezelfde avond besluit Victor, terwijl zijn rug en achterwerk nog nagloeien van de slaag, weg te lopen van huis.’s Nachts voegt hij de daad bij het woord. Na achtenveertig uur rondzwerven over het platteland vindt hij toevlucht in een klooster, waar hij een paar dagen blijft. De onrust blijft echter knagen. Victor wil ver weg en vertrekt weer, lift vier dagen door het land en komt vervolgens aan in het grote Buenos Aires. Hij neemt een baantje aan als loopjongen van een slager in de Calle Pinzón, in de wijk La Boca. Met het geld dat hij verdient voorziet hij in zijn levensonderhoud, huurt een piepklein kamertje en besluit op zekere dag een boek te kopen. Ogenschijnlijk betekent dat niets, maar vader Rafael haatte boeken en vond lezers maar intellectueel tuig. Victor neemt op subtiele wijze wraak op de afgunst van zijn vader en breekt daarmee definitief met zijn jeugd. Hij weet echter niet wat hij moet kopen, maar ziet op een tafel met aanbiedingen de Don Quichote van Horacio Cervantes liggen. Hij besluit het boek te kopen, maar leest er niet in voor hij navraag heeft gedaan naar het verhaal in de kroeg waar hij veel avonden slijt. Daar laat hij de naam van de schrijver vallen, waarna een oud mannetje met een hoornen bril en dikke glazen hem met zijn vervormde oogbollen bespottend toekijkt en zegt: ‘Jongen, neem liever een goed glas bier, van boeken lezen is nog nooit iemand oud geworden.’

In de stem hoort Victor zijn vader spreken. Hij verlaat woedend het café en begint thuis onmiddellijk te lezen. Overdag doorkruist hij op een roestige fiets de straten van La Boca. Daarna verdrinkt hij avond aan avond in de edelman Don Quichot uit La Mancha. Hij leest het boek vier maal opnieuw, vergeet de wereld om zich heen en raakt volledig verslingerd aan zijn boek. Hoewel Victor Quesada nog nooit een windmolen van dichtbij heeft gezien, laat staan een paard bereden, brengt de etstekening op de kaft hem in vervoering over al dat moois dat hem zou overkomen als hij ooit zelf de stoute schoenen zou aantrekken en het voorbeeld van de labiele Don Quichot zou volgen.

Jaren gaan voorbij zonder dat er iets gebeurd, maar ergens in het hoofd van Victor is het zaad gezaaid. Hij wil diep vanbinnen maar een ding: Don Quichot achterna. ‘Het moet’, denkt hij op een ochtend in 1974, inmiddels 29 jaar oud. Van loopjongen had hij het inmiddels gebracht tot eerste slagersknecht. En terwijl hij dagelijks zijn worsten draaide en de gehaktmolen bediende, bleef hij maar dromen over de witte reuzen in het Spaanse landschap. Met zijn baas, de norse slager Marcos Guevara, naar eigen zeggen een verre achterneef van de grote Che, wisselt hij alleen de noodzakelijke plichtplegingen. De gedenkwaardige Che en het Bolivariaanse ideaal interesseert Quesada niet, als hij er überhaupt al iets van weet. ‘Het moet’, denkt hij dus en beetje bij beetje neemt Victor zich voor het plan uit te voeren.

Na vier jaar werken voor een mager loontje in de slagerij heeft Quesada genoeg geld bij elkaar gespaard. Hij fietst naar de haven en koopt een ticket voor een enkele reis Buenos Aires-Spanje, vertrekdatum 5 september 1978.
De dag voor vertrek koopt hij van Marcos Guevara diens oude hutkoffer en neemt ontslag. Als dank voor bewezen diensten stopt de slager hem zwijgend wat extra geld en twee worsten toe en knijpt hem met vette vingers speels in zijn wang. Victor telt zijn spaargeld, pakt zijn spullen en fietst naar de haven, waar hij zijn rijwiel voor een paar pesos verpatst. Met als enige een bezit een hutkoffer met wat kleren en een boek monstert hij de veerboot Malvinas, met bestemming Gijon. Hangend over de reling zegt hij Argentinië vaarwel.

En zo kwam het dat Victor Quesada op die tweede november van het jaar 1978 het Spaanse vasteland betrad, vastbesloten zijn plan ten uitvoer te brengen. Monter nam hij een trein richting het binnenland en stapte uit in Albacete. Daar doolde hij een dag rond op zoek naar een paard. Maar toen een plaatselijke boer hem probeerde af te zetten voor een bejaard exemplaar met doffe ogen, bedankte hij met een ferm handgebaar. Hij liep zonder om te kijken weg en vertrok naar Ciudad Real. Daar had hij meer succes, of minder eisen; licht wanhopig kocht Victor van zijn laatste pesetas een vaal, scheelkijkend paard dat buitengewoon traag oogde. Verlekkerd telde de handelaar het geld en keek Quesada geringschattend na terwijl deze dromerig op de hals van het dier klopte en hem El Chava noemde. De nieuwe eigenaar had geen oog voor de gebreken van zijn kersverse rijdier en besteeg het trots. El Chava was een eigenwijs ros, dat weinig van sporen begreep. Het kwam zelfs zover dat Victor hem uren stond uit te schelden op een stil kruispunt even buiten de stad, omdat het dier geen been verroerde. Hoe en waarom het dier zich eindelijk in beweging zette is een raadsel, maar Quesada was te opgelucht om daar een punt van te maken. Hij maakte zich bovendien meer zorgen om zijn armoede, nu hij zijn laatste geld had opgeofferd voor een gebrekkig paard. Dat bleek echter een meesterzet, want de herbergen, hoeves en dorpen die hij aandeed bleken allemaal meelevende bewoners te hebben. De boeren, waarden en dorpelingen hadden zoveel medelijden met het slome, scheel kijkende ros dat ze Victor Quesada spontaan onderdak en eten aanboden. Zo doolde hij met El Chava rond in La Mancha, terwijl hij uit zijn ooghoeken wantrouwend naar de gepleisterde windmolens keek, die hem overal nastaarden.

Bang om een hak gezet te worden en overtuigd van zijn roeping om de wapens op te nemen tegen de reuzen uit zijn lievelingsboek sprak hij met niemand: Quesada zweeg als het graf. Af en toe fluisterde hij een waarschuwing tegen El Chava als deze zich verstapte. Het schele dier bleek nauwelijks recht te kunnen rijden en zich door niets te laten afleiden. Na enkele dagen kwam het tweetal in Manzanares aan. Na een goede maaltijd in een klein restaurant en een bak haver voor El Chava besloot Victor Quesada dat het genoeg was: de volgende dag moest zijn dag worden. Het was 19 november 1978 toen Quesada in een steegje tegen een steen in slaap viel met zijn paard aan zijn zijde..

De volgende ochtend wordt hij al vroeg wakker van het lelijke gehinnik van Chava, die ongeduldig met zijn hoeven schraapt over de kinderkopjes van het dorp. Victor kijkt op en knippert even met zijn ogen. Hij pakt zijn spullen, bestijgt zijn paard en zet koers naar het noorden. Het is een frisse, winderige dag. Na uren in stilte door het landschap te hebben gesjokt (soms gepasseerd door automobilisten die meewarig omkijken of naar hun voorhoofd wijzen), ziet Quesada in de verte een dorpje opdoemen met enkele onvermijdelijke windmolens. Zijn hart slaat over, terwijl hij het half verroeste bord in de berm ziet, dat de reiziger erop wijst dat Casa de Hurtado aanstaande is. Geduld, prent Quesada zich hardop in. Een kleine twintig minuten sjokken later besluit Quesada dat het genoeg is en geeft Chava onhandig de sporen. Hij schopt het dier hard in de flank, dat daarvan zo schrikt dat het in draf het veld in rent, luidkeels aangemoedigd door Victor Quesada, die zich de vernuftige edelman waant en met gebalde vuist verwensingen gilt tegen de windmolen, die recht voor hen opdoemt. De halfblinde Chava draaft met een luide klap te pletter tegen de windmolen, duikt in het stof en lanceert Victor, die blootshoofds tegen de windmolen bonkt, zijn schedel en nek breekt en op slag sterft. Het paard richt zich nog even op, hinnikt vals en geeft alsnog de geest.


Pas na enkele uren vinden verbaasde dorpelingen het gestorven tweetal en begroeven de vreemdeling op het piepkleine kerkhof, zonder grafsteen. Het paard werd in stukken gesneden en verbrand op het erf van een van de boeren van het dorp. In de zadeltas vinden de inwoners van het dorp de Don Quichote, verfomfaaid maar leesbaar. Onder verbazend gemompel gaathet boek van hand tot hand. Het staat nu te verstoffen in een boekenkast bij Alejandro Cuesta, landbouwer te Casa de Hurtado. De windmolen van het dorp heeft op de plek van de botsing een vage bruine veeg op het witte pleisterwerk, de enige getuige van de eenzame strijd en groteske dood van Victor Quesada.

31 oktober 2008

Het laatste woord - Gritter

De officier van justitie geeuwde luid en sloeg zijn ochtendkrant open. Het papier knisperde luid in de hoge rechtszaal. De officier leek alle interesse in de strafzaak te hebben verloren. Het was nu aan de politierechter, meester Gerding, om de zaak af te ronden. Die keek naar de griffier, Anneke genaamd, die haar nagels bestudeerde, en daarna naar de verdachte, Aldert Verheulen. Rechter Gerding hield de aanklacht in zijn hand. Verheulen zou zich enkele maanden geleden schuldig hebben gemaakt aan verboden naaktrecreatie. Een ernstig feit, aldus de officier.

‘Meneer Vermeulen,’ zei de rechter, ‘we zijn er wel uit, vindt u niet?’ Verheulen kneep zijn ogen dicht. Dit was toch verschrikkelijk?

‘Verheulen, meneer de rechter. ‘Ik heet Verheulen, niet Vermeulen.’

Gerding las een stukje van de aanklacht. ‘Goed dan,’ zei hij. ‘Verheulen. Heeft u nog iets op te merken? Bedenk dat het ook tegen u kan werken. We kunnen de zaak ook direct afronden; wellicht kunnen we de schade zo beperken.’ De officier keek op van zijn krant, en richtte zijn blik op Verheulen. De rechter zakte nu achterover in zijn stoel, en keek afwachtend naar de verdachte. Nu pas viel het Verheulen op dat de bef van Gerding vlekkerig grauw was. Het lijkt wel een verwassen servet, dacht hij. Hij zou hem toch niet omhouden bij het dineren? Verheulen besloot nog iets te zeggen. ‘Edelachtbare, graag zou ik nog een laatste woord naar voren willen brengen.’ Gerding zuchtte overdreven, en keek op zijn horloge. ‘Houd het kort,’ zei hij. Hij keek naar de griffier, die poppetjes tekende op het proces-verbaal van de zitting. Met een schuin hoofd nam Gerding de krabbels in zich op. Het waren harkpoppetjes, zoals zesjarigen die plegen te tekenen. Zachtjes riep hij de griffier tot de orde. ‘Anneke, nu even opletten. Verdachte moet zo nodig gebruik maken van zijn laatste woord.’ Verstoord keek de griffier op. Ze kraste een poppetje weg, en keek minachtend naar Verheulen. Die raakte bijna overmand door nervositeit. Met trillende, afgeknepen stem nam hij het woord. ‘Meneer de rechter, ik blijf bij mijn eerder ingenomen standpunt dat ik vind dat ik niet veroordeeld kan worden. Ik moet worden vrijgesproken.’

De officier verslikte zich, en schoot in de lach. Hij hield zijn blik gericht op de krant, maar hij luisterde wel degelijk. Gerding trok zijn wenkbrauwen op. ‘Verheulen, schiet alsjeblieft op,’ zei hij. ‘Ik wil de zaak sluiten.’ Verheulen knikte. Een zweetdruppel kriebelde in zijn nek. ‘Meneer de rechter,’ zei hij, ‘ik wil graag nogmaals naar voren brengen dat ik het, met alle respect, te zot voor woorden vind dat ik vandaag terecht sta. Inderdaad, op het tijdstip zoals aangegeven staat in de beschuldiging bevond ik mij naakt op het openbare strand. Naaktrecreatie is daar niet toegestaan, dat weet ik ook heel goed, en dat is daar ook duidelijk aangegeven, maar ik probeerde werkelijk alleen maar mijn zwembroek aan te doen. Ik was me aan het omkleden, meer niet. Het duurde alleen wat langer dan normaal; het ging minder vlot dan ik wilde.’ Rechter Gerding ging weer voorover zitten, en keek Verheulen streng aan. ‘Wat is uw punt, meneer Verheulen?’, vroeg hij. ‘Wat u nu zegt, hebben we vandaag al eens gehoord. Hebt u nog iets nieuws in te brengen?’

‘Jawel, meneer de rechter,’ zei Verheulen met een droge keel. ‘Weet u wat ik niet goed begrijp? Dat ik zomaar gestraft zou kunnen worden op basis van een enkele bewering van een politievrouw. Zoals ze het beschrijft in haar proces-verbaal klopt het allemaal, tot in detail, maar ik kan toch niet alleen op basis van haar verklaring veroordeeld worden? Buiten de aanklacht zit er niets meer in het dossier! Er zou toch meer bewijs moeten zijn?’ Gerding keek naar de officier, en kreunde zachtjes. ‘Leg jij het uit of doe ik het?’ vroeg hij. De officier ging het doen. ‘Meneer Verheulen,’ zei hij, ‘de enkele verklaring van de politievrouw is voldoende bewijs. Dat zegt de wet. Als u daar problemen mee heeft, moet u de politiek maar in.’ Gerding glimlachte, en nam het over. ‘Wat de officier zegt klopt, meneer Verheulen. En bovendien is er meer dan voldoende bewijs. Meer dan voldoende. U hebt het feit zojuist voor de tweede keer ter zitting bekend. Dat kan bij de strafoplegging in uw voordeel werken, ik sluit dat niet uit, maar het onderstreept nog eens dat u inderdaad op een plaats waar dit niet was toegestaan naakt hebt gerecreëerd.’ Verheulen schudde zijn hoofd. Hij voelde zich boos worden, maar probeerde zich in te houden. ‘Ik heb niet aan naaktrecreatie gedaan, meneer de rechter,’ zei hij. ‘Ik kleedde me alleen maar om, hoe vaak moet ik dat nog zeggen!’

Gerdings gezicht vertrok. Hij was het nu zat. ‘Ik heb u al eens eerder gezegd dat u niet in herhaling moet vallen,’ zei hij bozig. ‘U wekt daarmee de indruk dat we niet goed zouden opletten. Daar is dit gerecht niet van gediend.’

Verheulen sloeg zijn handen voor zijn gezicht. Ik moet nu mijn mond maar houden, dacht hij. Om de schade te beperken.

Na een korte stilte ontspande rechter Gerding weer. Hij keek nu vriendelijk. ‘Zijn we eindelijk klaar?’ vroeg hij. De officier vouwde zijn krant op, en keek verwachtingsvol naar de verdachte. ‘Ik heb niets meer te zeggen, meneer de rechter,’ zei Verheulen.

‘Mooi,’ zei Gerding. ‘Dan sluit ik nu het onderzoek. Ik acht me voldoende geïnformeerd, en zal direct uitspraak doen. Waar u van wordt beschuldigd, meneer Verheulen, is bewezen, en strafbaar. Ook u, meneer Verheulen, is strafbaar. Ik veroordeel u conform de eis van de officier tot veertig euro boete wegens verboden naaktrecreatie.’

Verheulen voelde zich slap worden. Veertig euro boete voor het aantrekken van een zwembroek. Was dit een slechte grap? De rechter keek nog steeds vriendelijk. ‘En daarmee sluit ik de zitting. De volgende keer een handdoek omslaan, meneer Verheulen, of een badhokje gebruiken, zoals normale mensen dat doen. U kunt gaan. Wegwezen.’
       

Verheulen stond langzaam op, en liep naar de uitgang van de rechtszaal. Halverwege keerde hij zich weer om. Hij zag dat de officier zich opnieuw in de krant had verdiept, en dat Gerding een arm om Annekes schouders had geslagen, en zachtjes woorden in haar rechteroor sprak. Ze giechelde.

‘Waar moet ik zijn voor hoger beroep?’ vroeg Verheulen mat.

Niemand reageerde.

‘Pardon,’ zei Verheulen, zijn stem verheffend. ‘Waar moet ik zijn voor hoger beroep?’ Anneke keek hem aan; haar blauwgroene mascara was uitgelopen, en Verheulen zag dat eenzelfde kleur op de bef van Gerding terecht was gekomen. ‘Hoger beroep is niet mogelijk,’ zei de griffier. ‘Dat kan alleen bij hogere geldboetes.’

Verheulen opende zijn mond om nog iets te zeggen, maar hij deed het niet. Met gebogen hoofd verliet hij de zaal. Toen hij zich eenmaal buiten de zaal bevond, meende hij gelach te horen.

14 mei 2008

Felix - Rino Feys

“Rinoojge”, zegt tante Nicole.

“Rinoojge, met zijne matechte mateto.”

De eerste woorden die ik spreek blijken een raadsel dat niemand ooit zal kunnen oplossen.

“Matechte mateto, matechte mateto...”

Voor tante Nicole ben ik nog steeds Rinoojge, ook al zit ik in de vierde klas, bij mijnheer Vanhee van wie ik ’s avonds een stuk broodpudding krijg dat zijn moeder zelf gebakken heeft; tenminste, als ik na lesuur de borden schoon veeg.

We hangen rond de kattenmand van Madou, die haar onrust verbergt door ons onbewogen, met spleetoogjes aan te staren, maar de korte klappen die haar staart aan de bodem van de mand wil uitdelen niet kan bedwingen.

Kleine blinde kattenjongen waden beverig door de pluche.

Moeder heeft nog niet zolang geleden met grote stelligheid verkondigd dat er bij ons geen kat meer in huis komt. Want eens zover is het toch zij die ervoor moet zorgen, en werk heeft ze genoeg. Met drie kinderen (die koude winter waarin mijn jongste zus ontstaat moet nog aanbreken) heeft ze haar pluk, verdedigt ze haar stelling tegen Irma van De Kaasbolle. Irma kwam langs met een nest jonge kittens in een mand in de hoop dat we er eentje zouden nemen.

Nee, op een kat in huis hopen wij allang niet meer.


“We hadden beter varkens gekocht, in plaats van kinderen”, ik hoor het vader wel vaker te pas en te onpas in gezelschap verkondigen.

“Die konden we tenminste slachten als ze groot waren”.

“De varkens zouden ons opeten” sneert moeder nu, maar dan zwijgt ze, daar bij tante Nicole en nonkel Gaston.

Ik herinner me van de aardbol verdwenen poezen die in een mand in de hoek van de keuken vier, vijf jongen ter wereld brachten. Wanneer moeder het er over wou hebben, vluchtte vader het huis uit.

Hij verafschuwde katten, maar dat had te maken met zijn vinken die hij in en rond het huis in kleine kooitjes had staan.

Dus was het moeder die noodgedwongen het heft in handen nam.

De kat, van wie de buik bengelde als een lege zak, sloot ze op in huis waar het dier meteen gek van onrust naar een uitweg zocht. Ondertussen werden haar jongen één voor één genadeloos tegen de muur te pletter gegooid. Wij stopten vingers in onze oren; de doffe doodsmakken waren door de wand heen te horen. Wanneer de kat tenslotte terug vrij gelaten werd, lagen de kleine kattenlijkjes al ergens koud te worden onder de grond. Dagenlang doolde het mistroostige dier klaaglijk miauwend rond, op zoek naar haar kroost.

Daarom alleen al, heeft moeder tegen Irma gezegd, komt er bij ons geen kat meer in huis.


Maar nonkel Gaston heeft de jongen nagezien en geconstateerd dat er twee katertjes bij zitten: een donkerbruin en een pikzwart.

“Kijk” zegt hij, en met zijn allen turen we tussen achterpootjes onderaan de warme buikjes naar... ja, naar wat eigenlijk? Veel valt er niet te zien, maar blijkbaar is er toch iets, want hiermee weet nonkel moeder te overtuigen.

Vader heeft het op de heenweg reeds gezegd: ’t is geen groot licht, maar op het gebied van poesjes is nonkel Gaston een specialist. Hij glimlacht daar zo vreemd bij dat ik ook wel zonder die duw van moeder begreep dat het iets dubbelzinnigs betrof.

Maar tot onze grote verrassing mogen we er dus nu eentje kiezen, en binnen een paar weken, als het jong oud genoeg is om op eigen benen te staan, zullen nonkel Gaston en tante Nicole het meebrengen bij een tegenbezoek. Hoewel moeder het een beetje griezelig vindt, kiezen we de zwarte welp. We hebben ook al een naam voor het poesje: Felix, naar de geslepen hoofdrolspeler uit een gelijknamig stripverhaal dat sinds mensheugenis bij ons rondslingert in huis.


In een mum van tijd groeit het onhandig op z’n poten balancerende katje uit tot een schrandere, fors uitgevallen kater, een ware meester in mime. Nooit laat hij in zijn kaarten kijken, nooit weet je wat hij werkelijk denkt. Soms maakt hij adembenemende salto’s, waar je mond bij open valt. Heel uitzonderlijk vergist hij zich, maar zelfs dan: als Felix op zijn bek gaat, doet hij dat met stijl. Alsof het de bedoeling was.

Het vreemdste vind ik dat hij nooit moet lachen om zijn eigen stommiteiten.


Na verloop van tijd bereidt moeder ons voor op het feit dat katers soms dagenlang van huis wegblijven. Beschrijft hoe ze dan fel vermagerd, duchtig toegetakelt door aanvaringen met rivalen, vanwege conflicten van territoriale aard, terug opduiken.

De eerste keer dat Felix wegblijft is het inderdaad goed prijs: wekenlang is de kat onvindbaar. Tenslotte vreest zelfs moeder het ergste, waarna het dier, flink vermagerd thuiskomt. Maar het meest verbazende is dat in zijn kielzog vijf welpen lopen; veel te groot om af te maken, en verwilderd door een totaal gebrek aan menselijke omgang.

Daar gaat de volgens mijn vader enige echte kwaliteit van nonkel Gaston.

Moeder is een zenuwinzinking nabij.

Voortaan spreken we Felix aan met Felicia.

13 januari 2008

Kodak - Rino Feys

Bij mijn eerste communie kreeg ik van een voorzienige tante een kleine, goedkope fotocamera, en één filmrolletje. In die eerste jaren als fotograaf was het me geraden zuinig met film om te springen. Het aanleggen van een voorraad werd van huis uit geboycot, en je kon er zeker van zijn dat wanneer je roekeloos te werk ging en foto’s verspilde aan banale onderwerpen, je later gegarandeerd enkele uitgelezen momenten aan je neus voorbij zag gaan.

De liefde voor de fotografie heb ik van mijn moeder. Foto’s die ons leven weergeven als een verstilde film, van onze geboorte tot we het huis uitgaan; tientallen fotoalbums vol heeft ze, waarin de jeugd van mijn broer, zussen en ik werd vastgelegd. Dat alles, zonder uitzondering, gefotografeerd met een kodak; waarmee anders?

Het gelijknamige apparaat was toen zo populair bij huis, tuin en keukenfotografen dat de merknaam synoniem werd voor een fotocamera. Nonkels die pronkten met hun Canon op communiefeestjes, hippieneven die gewichtig deden met hun Practica + toebehoren op een popconcert van een lokaal groepje, of de beroepsfotograaf die voor de krant een foto van mijn vader nam ter ere van zijn zoveelste overwinning met de vinken; ze waren zonder uitzondering op stap met een kodak.

Vandaag heb ik mijn Sony Cyber-Shot 10.1 megapixels - een stukje hoogtechnologisch vernuft ter grootte van een sigarettenpakje - altijd bij + een extra batterij en een geheugenkaartje van 1 gigabyte. Daardoor heb ik ruimte voor zo’n vierhonderd foto’s in grootste kwaliteit.

Hoewel wij ondertussen geëvolueerd zijn, is mijn moeder blijven hangen. Als ik langsga, en de kinderen van mijn zus zijn op bezoek, vraagt ze nog steeds of ik mijn kodak mee heb. Over haar eigen digitale toestel is ze niet te spreken. Ze beweert dat haar kodak van een “slecht merk” is.

Tegenwoordig heb ik mijn camera bijna continu in aanslag; een ziekelijke, uiterst besmettelijke aandoening waar ik kort na aanschaf door getroffen werd, en waar mijn huisgenoten niet over te spreken zijn. Naar het schijnt draagt zo’n digitaal toestel het virus in zich, maar dat vertellen ze er niet bij, die verkopers.

Toch heb ik het gevoel dat ik de beste foto’s nog steeds misloop. Zoals onlangs, toen het voor het eerst sinds tijden weer eens had gevroren. Terwijl ik naar de bakker liep, passeerde me een bestelwagen, en pas nadat hij voorbijgereden was, realiseerde ik me wat ik had gezien. Het voertuig had de nacht duidelijk in open lucht doorgebracht, want hij was volledig met ijs overdekt. Aan de kant van de chauffeur was in de voorruit een minuscuul kijkgaatje gekrast, maar voor de rest zat alles dicht. Op de zijkant stond een ouderwetse, vertrouwen inboezemende familienaam en daaronder: ‘Uw specialist in diepvriesinstallaties’.

En die reiger, die verkleumd, met één poot ingetrokken op de pergola stond, en terwijl ik naar mijn fotoapparaat greep, sierlijk voorover dook toen er werd aangebeld.

Of zoals vandaag; het vriest nog steeds en stadswerkers strooien zout opdat het verkeer vlot zou verlopen. Maar in het natuurgebied waar ik de hond uitlaat is daar niets van te merken. Samen lopen we over het weerbarstige gras, en af en toe houden we even stil. Nu eens omdat zij zich in eendenuitwerpselen moet wentelen, dan weer omdat ik een foto van een bevroren spinnenweb wil nemen. Het LCD schermpje geeft aan dat ik ruim honderd foto’s heb genomen, en de batterij is nog niet eens halfleeg. Bomen in de sneeuw, grillig krullende ijsplanten, meeuwen die over water lopen, of borden die het vissen verbieden in de uitgestrekte ijsvlakte. Plots vliegt iets over me heen; diep en intens blauw zoals de ogen van Henry Fonda in ‘Once Upon A Time In The West’, maar dan alsof er een lampje in brandt, draadloos. Hier kan Bernadetje van ’t Gazetje met haar kerstversiering niet tegenop. Even sta ik perplex; het fladderen van de vleugels gaat gepaard met een licht trillend gezoem, maar door de snelheid kun je daar niets van zien; gewoon een kleine, oplichtende blauwe vogel die vastgeklonken lijkt in een luchtbel. Tegen de tijd dat ik mijn kodak heb afgesteld, is hij verdwenen.

29 september 2007

Passie - Rino Feys

1

We zaten in Firenze, en ik dacht aan Il Postino, Cinema Paradiso, A Room With A View... en we genoten met volle teugen van de romantiek die in de lucht hing, de schaars geklede meisjes op hun scooters, knietjes parmantig bij elkaar gebracht, zittend op het puntje van hun zadel.

De jongens in kostuum met das en helm, toeterend om de argeloze toeristen die vergeten waren dat ze zich op straat bevonden aan de kant te jagen, en we dwaalden door steegjes en staken pleintjes over, bekeken en genoten van de passionele gebarentaal van de Italianen.

We hadden onze gids op de kamer gelaten en er geen idee van waar we waren, behalve in Firenze natuurlijk, en besloten - het was halverwege de namiddag - om enkel nog terrasjes te bezoeken.

We bestelden een drankje en schreven brieven naar huis, zo romantisch voelden we ons, dat we onze geliefden wilden verrassen met een brief uit Firenze.

We kwamen in een kroegje terecht waar de jonge uitbaters in een felle woordentwist verwikkeld zaten die we aanvankelijk nog met een wat uitbundig gesprek verwarden en die ze enkel onderbraken om ons te bedienen. Het deerde ons niet, althans niet in het begin, maar na een uurtje was de pret er een beetje van af. Naarmate de woorden bitser klonken verminderde hun werklust, en steeds meer wachtende mensen die op het terras plaatsgenomen hadden, begonnen boze blikken naar binnen te werpen en verdwenen opnieuw, zonder dat ze iets te drinken hadden gekregen.

Pogingen om de twee af te leiden, bijvoorbeeld door hen de kaart van Firenze voor te leggen en te vragen waar we ons nu bevonden, of waar zich een goed restaurantje in de buurt bevond, werden genegeerd.

Toch vertrokken we niet, gebiologeerd door het spervuur aan klanken die heen en weer door de ruimte geslingerd werden, en waarbij nu eens zij, dan weer hij aan de winnende hand leek. We stelden ons voor hoe alles met evenveel passie weer bijgelegd zou worden.

Even later waren we op straat aan het overleggen welke richting we zouden nemen, toen de waard ons achterna kwam met een kleine plattegrond in z’n hand.

“Here you are”, zei hij, en tekende een cirkel op de kaart.

“Here is restaurant”, en tekende een tweede cirkel.

“Real Toscane Restaurant.”

Hij kwam wat dichterbij.

“Only for people from here. No tourists”.

De laatste woorden sprak hij traag en plechtig uit, alsof hij ons uitverkorenen deelachtig maakte aan een goed bewaard geheim.

“ Say that Frederico send you.”

Het mocht duidelijk wezen dat dit laatste niet onbelangrijk was.

Toen liep hij terug naar binnen, en terwijl we bekwamen van de plotse interventie, hoorden we hoe de woordenwisseling hernam.

Dankbaar voor de tip die we hadden gekregen, verdwenen we in de richting van ‘The real Toscane restaurant’, terwijl het vermoeden rees dat het met die twee nooit meer goed zou komen.

2

We hadden er lekker gegeten en verlieten het restaurant waar tot onze verbazing menig uitverkoren toerist kwam genieten van dit voor vakantiegangers goed bewaarde geheim. Lichtjes beneveld vervolgden we onze weg, maar dat het schemerde had enkel te maken met het feit dat de zon net was ondergegaan en het nu snel donker werd. We bevonden ons op een pleintje God weet waar in Firenze, en kinderen speelden, jongens voetbalden en mannen keken toe terwijl ze op bankjes zaten te roken of een praatje maakten. Hier en daar liepen enkele toeristen een beetje verloren of waren het tafereeltje net als ik aan het gadeslaan als was het een driedimensionaal panorama in een volksmuseum en geen inbreuk op het dagdagelijkse leven van deze mensen die hier vooral op straat leven, en zich niet zoals wij, noorderlingen, vanwege het klimaat het grootste gedeelte van het jaar in hun huizen hoeven op te sluiten.

Temidden van dat alles viel m’n oog op een duif die in een goot een andere duif de beurt van haar leven gaf of iets dergelijks, de gezwollen krop oogde indrukwekkend en toen vloog het verhitte heertje weg, en hoewel ik eerst nog meende getuige te zijn geweest van één der onstuitbare oerdriften in de natuur, bemerkte ik opeens hoe de resterende duif zijdelings wegzakte.

Ik liep erheen en raakte de in slaap vallende vogel aan. Verschrikt keek het dier op, de angst in die oogjes sprak boekdelen: als soortgenoten al in staat waren om het in deze omstandigheden zo te mishandelen, wat zou dit grote monster dan wel niet met hem uithalen – iets dergelijks leek het te denken, maar het kan ook wat anders zijn geweest, zoals: wat een lelijk hemd draagt die vent, of: ondanks de voorspellingen  is het toch nog een mooie dag geworden.

In elk geval, terwijl ik de vogel aaide kwam er een Chinese toerist naar me toe, mompelde iets onverstaanbaars maar z’n stem klonk zacht en meelevend en hij maakte een afwerend gebaar naar de vogel. Misschien wilde hij me ervan weerhouden het aan te raken: je weet nooit wat voor ziektes zo’n beest met zich meedraagt.

Het raakte me dat de Chinees zich zo bezorgd toonde.

Ik stond op en ging na of ik nog iets voor het arme dier kon doen. Het bijvoorbeeld ergens heen brengen waar het rustig dood kon gaan en niet in deze goot, belaagd langs alle kanten. Maar er was hier in de verste verte geen rustig hoekje te bekennen.

“Laat het hier maar zitten, anders gaat ie straks dood in je handen” zei G., en ontdaan door de hardheid in haar eigen woorden knielde ze bij de vogel neer en aaide het kopje eventjes.

Opnieuw keek de vogel geschrokken op, alsof het uit een diepe slaap ontwaakte en in een nachtmerrie terechtkwam. 

Ineens begreep ik wat de Chinees eigenlijk had willen zeggen.

Dat als je iets voor deze vogel wilde doen, je het beter met rust kon laten.

Dit was het enige waar het dier nog baat bij had.

Want de angst in die ogen was niets anders dan een alles verterende vrees dat de grootste vijand in dit leven, die het tot hiertoe behendig had ontweken, het nu – stervende - alsnog kwaad zou kunnen doen.

We draaiden ons om en slaagden erin om zonder om te kijken weg te lopen.

9 juli 2007

Confessies van een vogelteller - Lieven Deflandre

Sedert ik een vogelteller ben geworden, zie ik me verplicht om elke ochtend om stipt vijf uur punt dertig op te staan.

Een vogelteller die tot elf uur in zijn warme nest blijft liggen, is niet goed bezig met zijn vak. Ik til stilletjes de dekens op en sluip behoedzaam op de tippen van mijn dikke tenen de slaapkamer uit, mijn vrouw Cornelia is namelijk geen vroege vogel, maar een nachtuil. We treffen elkander af en toe in de badkamer als zij terugkeert van één van haar nachtelijke rooftochten en ik bij gelegenheid des nachts moet opstaan om een compulsieve plasbehoefte te bevredigen. Zij ligt dan in bad met een damesblad en een glas champagne.

Voorzichtig trek ik mijn kamerjas aan, poets mijn tanden met zout water en zet koffie. Ik trek de gordijnen van de achterkeuken open, met een proper poetsdoekje veeg ik de  kijkgaten in het vieze keukenraam schoon alsmede de glazen van mijn verrekijker, die steevast op de vensterbank binnen handbereik paraat staat, en terwijl ik wacht op de komst van het ochtendgloren, en het uur tussen hond en wolf traagzaam verglijdt in de nevelen van de mist, werk ik mijn vogelnotities van de vorige dagen bij en lees ik enige pagina's uit mijn vogelgids.

Sedert ik een vogelteller ben, doof ik om stipt vijf uur punt vijfenveertig alle lichten in mijn nederzetting daar tuinvogels danig worden opgeschrikt en uit hun evenwicht gebracht door kunstmatige lichtbronnen zoals spots, lampen en andere huishoudelijke lichtgevers en dragers. Het is dat mijn vrouw Cornelia een begenadigd nachtuil is, en niet geoccupeerd door huishoudelijke karweien, anders had ik haar vriendelijk moeten verzoeken om het buitenvenster gelegen in de achterkeuken van onze nederzetting, te ontzien bij haar schoonmaakarbeid gezien brandschoon, transparant vensterglas, naast de katachtige, de grootste natuurlijke vijand is van de tuinvogel in postmodernistische tijden.

Sedert ik een vogelteller ben geworden, in de vroege zeventiger jaren, en mijn slecht been mij binnenhoudt, zit ik elke dag van de week met mijn verrekijker in de aanslag achter mijn keukentafel en observeer ik het komen en gaan van de vogelen in hun natuurlijke habitat dewelke zich achter de kijkgaatjes in mijn vervuilde keukenvenster bevindt. De vaststellingen die ik in mijn functie van vogelteller doe, noteer ik meticuleus in mijn vogelobservatieschrift waarvan ik inmiddels drieëndertig jaargangen bezit die op zolder geclassificeerd staan op jaartal. Jaarlijks maak ik een beknopt verslag op in drie exemplaren van de evolutie van de vogelpopulatie in haar natuurlijke habitat die zich in het verlengde van mijn achterkeuken bevindt, een exemplaar voor het ministerie van Leefmilieu,  één voor Natuurpunt Vlaanderen en een exemplaar dat ik opberg in mijn uitdijende vogelarchief.

Het is dat mijn vrouw Cornelia, die sinds mijn slecht been een gepassioneerde nachtuil is geworden, nooit hoog heeft opgelopen met het opvullen van het concept van de kinderwens, anders had ik de vruchten van haar en mijn lichaam op het einde mijner levensdagen met een volumineus vogelarchief kunnen verblijden waarmee ze ongetwijfeld hun voordeel hadden kunnen doen altijd in de vooronderstelling verkerend dat ze, in de lijn van hun verwekker, oog voor de vogel zouden hebben  gehad, en dan niet enkel voor de nachtuil, zoals mijn vrouw.

Sedert ik een vogelteller ben geworden, en mijn vrouw Cornelia een nachtuil, het is begonnen in de vroege jaren zeventig, met mijn been, heb ik al heel veel telbare vogels geobserveerd van diverse rang, soort, origine en afmeting. Alle vogels die ik heb zien neerfladderen en kirrend en krijsend rond zag dwarrelen als kleine gekken heb ik kunnen opsporen en terugvinden in mijn vogelencyclopedieën. De boomklever, de kuifmees, de halsbandparkiet, de bruine huismus. Ik heb in die drieëndertig jaar nooit het genoegen mogen smaken om een nieuwe vogelsoort te ontdekken. Een vogel die in nog geen enkele vogelgids prijkt, het zou de kroon geweest zijn op mijn levenswerk, en ik zou die vreemde vogel Cornelia Nocturna hebben genoemd, naar de meisjesnaam van mijn vrouw.

28 juli 2006

Tot op het been - Ewald Stals

D sloeg de enkel om, net voor hij op bus 47 stapte. Medepassagiers vroegen hem: ‘Gaat het?’ D lachte beduusd en antwoordde: ‘Ach, het is niks, dank je’, en voegde er nog aan toe, ‘er zijn ergere dingen in het leven.’ Eén iemand knikte bevestigend, want zo gaat dat, zo is het immers, en had één medepassagier wel gesnapt dat die verwijzing naar dat leven misschien ook weer verwees naar een traumatische gebeurtenis, die vooraf ging, die de oorzaak was van het omslaan van die enkel, dan gaf die medepassagier daar verder geen commentaar op, zweeg en bestudeerde betoverd de reclame op de rugleuning voor hem. D leefde immers in het stadje G, in een vrij land, en prijsde zich daarover gelukkig.

D kwam thuis en groette zijn vrouw. Hij vertelde haar niets van zijn misstapje. Hij ging zitten in de zetel, nam de krant en liet zich een biertje serveren. Hij wreef even over de pijnlijke enkel en hief het been op de poef. ‘Hebben we dan geen borrelnootjes meer?’ vroeg hij zijn vrouw. Ze keek hem kort beschamend aan, snelde naar de keuken en kwam vlug met het gevraagde terug. Ze klikte de TV aan, nam de remote van het dressoir en schakelde naar zijn favoriete sportkanaal. Vervolgens dekte ze de tafel. Ze aten. Later, in de badkamer, net voor het slapengaan, D poetste de tanden, zag zijn vrouw de blauwe enkel boven de rand van zijn pantoffel. ‘Wat heb je daar?’, vroeg ze verschrikt, ‘je hele enkel is gezwollen.’ D keek haar verbolgen aan. ‘Bemoei je er niet mee’, antwoordde hij. ‘Het is niks. Morgen is het voorbij.’ Hij nam een flinke slok, gorgelde en spuugde water en schuim in de lavabo. Hij ging slapen.

‘Zou je toch niet beter een dokter raadplegen’, merkte zijn vrouw de volgende morgen op. D wurmde met pijnlijke grimas de gezwollen voet in zijn schoen. ‘Zo kun je toch niet gaan werken’, insisteerde ze voorzichtig. ‘Het doet nauwelijks pijn’ ,antwoordde D. ‘Bovendien, kunnen we het ons misschien veroorloven dat ik een dag niet ga werken? Ik heb je al uitgelegd hoe de productiedirecteur denkt over absenteïsme. Hoe zouden we overleven, ons huis afbetalen, wil je misschien op straat eindigen?’ D trok zijn jas dicht, zette zijn hoed op en wikkelde een sjaal om de hals. ‘De vuile was hang je niet buiten’ ,spelde hij haar de les, ‘over dergelijke dingen spreekt men niet.’ Zijn vrouw plukte een pluis van zijn schouder en gaf hem, zonder hem aan te kijken, zijn tas met boterhammen en thermos. Zoals altijd nam D bus 47, overvol op dit uur. Hij hield zich staande aan een bar en voelde de enkel kloppen.

Het bandwerk was sowieso slopend. Vandaag, leek er aan de uren werkelijk geen einde te komen. Bovendien stond D op de plek waar de pakjes ham in kartonnen dozen werden gerangschikt. Eenmaal vol hevelde hij ze op een pallet, om na elke 54 dozen een streepje op het telblad te zetten, de stapel in folie te wikkelen en ze op de juiste plaats achter in het magazijn te parkeren. ´Gaat het?’ vroeg P, de collega die naast hem stond en slechts de vloei van de etiketten diende te controleren. ‘Je lijkt wel te manken, heb je je zeer gedaan?’ ‘Het is niks’, antwoordde D. ‘Anders zeg je het maar’, zei P, ‘kunnen we van plaats wisselen.’ Hij lachte dubieus, stak een sigaret op, schoof een nieuwe rol etiketten in de machine, keek nauwlettend toe en drukte op het precieze moment de knop in. De volle rol sprong in de pers en de lege rolde in zijn linkerhand. ‘Je weet het zeker?’ herhaalde P. Hij installeerde zich in zijn tuinstoel, observeerde de lijn en tikte de as op de vloer. ´Ja’, zei D nogmaals, ´ja, het gaat.’ En verder ging het met het rangschikken van de plakken ham. Iedere seconde een nieuwe, een niet te stoppen vloed. Zelfs als P het meende, dacht D, dat hij me werkelijk wilde vervangen, dan weet hij maar al te goed dat het me nooit lukt die rol op het precieze moment in de pers te plaatsen. De etiketten komen scheef te liggen, de machine loopt vast, de hele band moet stop gelegd worden, nee, het duurt nooit meer dan vijf minuten alvorens de ploegbaas komt opdagen, D uitkaffert en hem terug op de plaats zet waar hij hoort, de enige plaats waar hij de arbeid niet voortdurend in het honderd laat lopen. D strompelde verder. Hij zou tijdens de pauze zijn voet wat ontspannen, in een emmer water. Hij beeldde zich in hoeveel deugd dit zou doen. Maar hoe?, vreesde D reeds, de collega’s gingen het zien. ‘D’, hoorde hij de ploegbaas hem aanspreken van op afstand, ‘er is nog een bestelling binnengekomen, een dringende, je hebt er geen probleem mee wat overuren te maken?’ D schudde het hoofd. De ploegbaas stond al bij P.  P had ook geen problemen om wat langer te blijven, maar hun gesprek klonk anders; P smeerde de ploegbaas immers voortdurend stroop om de baard. Tijdens de pauze belde D zijn vrouw. Hij meldde haar het goede nieuws, dat hij mocht overwerken. ‘Prijs je gelukkig’, zei hij, ‘de bazen zijn tevreden, iemand die niet goed werkt, vragen ze immers niet te blijven. Jij altijd met je dokters. Het zou schoon geweest zijn.’ 

Het was half acht toen D moeizaam naar de bushalte wandelde. Als laatste stapte hij op. De chauffeur bekeek hem wrevelig. Je houdt ons allemaal op, spraken zijn ogen, zie je dan niet dat iedereen zo vlug mogelijk thuis wil zijn? D trok zich de laatste trede op en toonde zijn abonnement. De buschauffeur zette, na een korte blik op zijn abonnement te hebben geworpen, de bus meteen met een schok in beweging, waardoor D bijna viel. Hij wist zijn evenwicht te hervinden door een schouder van een vrouw te grijpen. Hij excuseerde zich tegenover haar, maar het leek haar niet te deren; ze bleef strak uit het raam staren. Alle zitplaatsen waren bezet, zodat hij genoodzaakt was zich staande te houden. Zijn voet suisde. Hij liet zijn tas langzaam op de vloer zakken en ruste er even op uit. Stel je niet aan, dacht D, ga vanavond wat vroeger dan normaal slapen. Hij zette de voet terug en verbeet, neutraal als de achtergrond, de pijn.

Zijn vrouw was niet thuis; haar wekelijkse Tupperware avond, herinnerde D zich. Hij sloot de deur en hinkte meteen door naar zijn zetel. Een half uur zat hij zo, met de mantel aan, de sjaal om en zijn hoed nog op. Het werd al donker, maar D stak geen licht aan. Een vormnemende angst overviel hem. Stel je voor, huiverde D, en hij vocht tegen de gedachte. Hij knoopte kreunend de veters los, stak de schoenlepel achter de hiel en duwde het handvat langzaam naar beneden. De pijn schoot naar zijn hart, alsof de huid van het vlees werd gestroopt. Hij beet de tanden op elkaar, de tranen sprongen hem in de ogen, en in één haal, alsof hij met een koevoet een zware steen probeerde te keren, duwde hij vloekend de voet helemaal naar buiten. D viel flauw. Of viel opgelucht in slaap, nu de pijn uitdeinde. Zo vond zijn vrouw hem anderhalf uur later. Ze liet de zakken vol dozen, kannen en pannen uit de handen vallen en rende op hem af. ‘D’, zei ze schuddend, ‘D word wakker, wat is er?’ Ze klikte het schemerlampje aan en schrok nog heviger. ‘Je voet’, krijste ze haast, ‘het is een klomp!’ Ze knielde en lichtte bij de kuit het onderbeen voorzichtig op. D kreunde stug. ‘Hij is misschien gebroken’, zei ze. Langzaam trok ze de kous naar beneden, langzamer nadat ze merkte hoe D zich vast klauwde in de armen van zijn zetel. ‘Je kunt nauwelijks nog de tenen zien!’ D trok zich aan haar schouder overeind. ‘Jij moet ook altijd overdrijven’, zei hij. ‘Je ziet nauwelijks dat hij gezwollen is. Vooruit, ga slapen. Ik kom zo meteen.’   

Het enige waarin D nog slaagde was de poef onder de voet te schuiven. ’s Ochtends werd hij wakker in die zetel. Zijn vrouw diende hem zwijgend het ontbijt op. Tot tweemaal toe hapte ze haar woorden in. Ze draaide wat in het rond, zette zich uiteindelijk in de zetel naast hem en keek zuchtend naar het plafond. Die voet krijg je nooit meer in die schoen, hoorde D zichzelf influisteren terwijl hij in de kop koffie lepelde. Het vlees zag donkerpaars, het stond strak gespannen, kil en bleek als blauw geaderde marmer. ‘Ik heb gisteren nieuwe Tupperware gekocht’, zei zijn vrouw. Haar stem klonk alsof ze het spreken reeds verleerd had. D raapte de kous van het tapijt, rolde haar op en schoof haar vervolgens over de tenen.  ‘Zie je’, zei hij, ‘het doet nauwelijks nog pijn.’ Hij sloot de ogen en trok de kous over de voet. De pijn werd schreeuwend wakker. Alsof D op de staart van een bloeddorstig monster trapte. Hij opende de ogen, haalde de veter uit de schoen, trok het leer tot het maximum uit en sloot zich opnieuw af. Met de schoenlepel drukte hij de voet langs alle zijden de schoen in, centimeter na centimeter. Er leek popcorn in zijn brein te ontploffen. Hij stak de veter terug in de schoen en begon die dicht te trekken, zoals destijds vrouwen een korset. Het leer kraakte, maar dat konden even goed beentjes en kootjes zijn. Hij hapte naar adem en vloekte gesmoord. Zijn vrouw hield de handen voor de ogen, ze schudde langzaam het hoofd heen en weer. ‘Help me liever recht in plaats van daar te zitten snotteren’, zei D venijnig van de pijn. ‘Mijn bus vertrekt over een kwartiertje. Dankzij jou ben ik straks nog te laat.’ Zijn vrouw veerde recht, streek over haar keukenschort en trok hem onder de oksels overeind. D steunde tastend op de voet en knarste grimmig op de tanden. Even zag hij alles scheel. Even floot hij een dramatisch melodietje. ‘Het gaat. Laat me’, zei hij, ‘wat zulen de buren denken?’ Hij wrikte zich los uit de steun die zijn vrouw hem gaf en sukkelde naar de voordeur. Zonder zich te scheren. Zonder vaarwel.

Rond het middaguur was alle gevoel uit de voet verdwenen. Het ding woog als een massief blok. D sleepte het achter zich aan. Hij kreeg pijn in de liezen, alsof het vlies rond de ingewanden op scheuren stond; hij kreeg pijn in de onderrug, alsof iemand hem doormidden zaagde. Het zweet parelde op zijn voorhoofd. ‘Gaat het?’ vroeg P hem voor de zoveelste maal. ‘Ja’, herhaalde D en vroeg direct: ‘Denk je dat we vanavond opnieuw overuren zullen doen?’ ‘Ik hoop het’, zei P, ‘ik kan het geld best gebruiken. Jij niet?’ D bevestigde. Er stonden reeds drie pallets op hem te wachten, er lagen verscheidene stapels dozen die hij nog moest rangschikken en achter het einde van de lopende band deinde een stapel uit tot een steeds grotere plas pakjes ham. Nog een kwartiertje, prevelde D, tijdens de pauze kan ik weer bijbenen.

Een dik uur nadat iedereen reeds naar huis was, parkeerde D de laatste pallet achter in het magazijn. Hij deed het licht uit – zoals de ploegleider hem bevolen had, schreeuwend dat D geen cent zou krijgen voor elk kwartier dat hij nog nodig had om de boel op te kuisen – en haastte zich naar de laatste bus. D miste die bus met een armlengte. Hij liet zijn tas uit de handen glippen en zeeg hijgend neer op een van de stalen zitjes in het wachthokje. Er zat niks anders op dan twee kilometer verder, in het dichtstbijzijnde café, een taxi naar huis te bellen. D stond op en strompelde verder, bestelde koffie en wachtte. De taxi kostte hem meer dan hij in de afgelopen dagen met de overuren had verdiend. D liet de chauffeur stoppen op de hoek en steunend, gevel na gevel, geraakte hij uiteindelijk thuis.

Zijn vrouw lag al te slapen. Op de keukentafel stond zijn avondeten, in een diep bord, overdekt met folie. D walgde bij de gedachte, veranderde zijn mening, en begon kokhalzend de spaghetti Bolognese koud door de strot te duwen. ‘Lekker’, zei hij, alsof zijn vrouw hem van de andere zijde van de salontafel bewonderend aankeek. Hij veegde de snor schoon, zette de kom in de wasbak en strompelde naar de zetel, zonder zich wederom te hebben ontdaan van hoed, jas of sjaal. D voelde de koorts opkomen; alles werd zwart. Hij besloot de schoen aan te houden en viel in slaap. Over de steppen in zijn brein draafden zwarte paarden, met daarop ruiters in rode mantels gehuld.

Drie dagen ging het steeds trager en deed D steeds langer overuren. De ploegleider had de afdelingschef geïnformeerd. De afdelingschef had D op het matje geroepen. D had gezworen  het ritme van de band te zullen bijhouden. Hij had de afdelingschef aangeboden zijn overuren gratis te doen. Hij had de ploegleider geweigerd hem een andere plaats te geven, eentje waardoor hij minder zou hoeven lopen. Hij wenste niks. Hij verlangde niks. Drie dagen hield D die schoen aan. Hij voelde nu hoe de voet mals en week was geworden. Bij elke stap sopte het in zijn schoen en ook zijn broekspijp werd almaar natter. De details van alles werden ondraaglijk: het klikken en klakken van de hengels; het knisperend knetteren van de kabels; de brakende machine, het krakende plafond.  In de plakken voorbijsnellende ham zag D figuren, zoals kinderen dat met wolken hebben. Atlas die de wereld torste, Sisyphus die de bal de berg opduwde, een gier die aan een lillende lever knabbelde. Zijn mentale sprongen werden bizar, alsof hij de weg had verlaten en steeds verder het moeras insukkelde. Tijdens de pauze sloot hij zich op in het toilet en dompelde de hete voet in de wc-pot. De zwelling is verdwenen, lispelde D haast sentimenteel, als ik in beweging blijf, blijkt het te beteren. Hij lachte overdreven en herhaalde: ‘Ik moet gewoon in beweging blijven’. Dat deed D dan ook. Hij stapelde dozen, hij duwde pallets en in plaats van een taxi te nemen, strompelde hij naar huis. Hij ging tot in het extreme, zelfs tot in het ridicule. ’s Nachts ijsbeerde hij rond, ging trap op, trap af, tot hij halverwege in elkaar zeeg, in slaap viel en zachtjes naar het welkomsttapijtje onderaan de trap gleed. Zijn vrouw dekte hem met een deken toe. Ze wist al lang niet meer wat te doen, hoe te reageren, wat te denken. Die arme D. Hij wist het allemaal zo goed.

Hij nam bus 47. Hij had 39 graden koorts. Hij stonk uren in de wind - een mengsel van angst en vuil. De dozen stapelden zich op, de plakjes bleven maar komen, gegrild, gekookt, gesmoord. D schrok op en keek naar P. Had deze iets gevraagd? Zijn lippen bewogen althans. D knipperde even met de ogen, alsof hij daarmee de motor opnieuw kon starten. De batterij sputterde vervaarlijk. Ergens schraapte hij nog een brokje energie van de bodem en antwoordde: ‘Het gaat, het is niks.’

Diezelfde nacht nog, eindelijk thuis, besloot D de schoen uit te doen. Van de boom in de tuin had hij een tak afgebroken. Die stak hij tussen de tanden, bang zich de tong af te bijten. Hij sleurde aan de voet alsof het een lichaamsvreemd object was, een stalen pin die hem bloedend door het vlees stak. Het groene bittere sap vulde zijn mond. Was het de twijg, was het de gal, was het zijn ziel die vermalen naar boven kwam? In zijn hoofd sprongen de zenuwen uit elkaar. D beet harder, rukte langer, de tak brak, de schoen sprong van de voet en kapulteerde hem uitgeput diep in de zetel. D duwde zijn ogen terug in de kassen. De voet pulseerde. D voelde een zwaar dof geluid, dat om de halve minuut een pijn zo heftig veroorzaakte dat hij dreigde het bewustzijn te verliezen. Hij knipte het leeslampje aan. Tot onder de knie zag het been zwart. Bruin pus droop uit de diepe putten, alsof een dol beest het vlees had weg gegeten. Er kropen maden tussen zijn tenen. Een zoete stank vulde de kamer. Hij keek op en zag zijn vrouw staan. Haar ogen tot de rand verstard, haar vingers beefden neurotisch, zelf bleef ze buiten de lichtcirkel staan. ‘Het gaat niet meer’, zei D, ‘maar het moet. Morgen is de maandelijkse inspectie, dan doet de directeur zijn ronde.’ Hij duwde zich recht, strompelde naar de badkamer en kroop onder de douche. De wormen verdronken alvorens ze door het gaatje wegspoelden. D goot aftershave in de wonde. Het rottende vlees siste, alsof het in een hete pan werd geworpen. Drijfnat ging hij op het badtapijtje liggen. Hij rilde. De koorts droogde hem vlug op. 

‘Ik heb altijd naar jou geluisterd, nu moet jij luisteren’, zei zijn vrouw. Ze stonden aan de deur. Het was vrijdagochtend. D was klaar om te vertrekken. ‘Het is gevaarlijk het antwoord niet te vinden, het is veel gevaarlijker de vraag na een tijdje te vergeten’ ,zei ze ernstig. ‘Waarom laat je je niet verzorgen?’ D schokschouderde. ‘Mijn enkel is omgeslagen’ ,zei hij, ‘dat is alles.’ ‘Ik smeek je’, zei zijn vrouw, ‘ga een dokter zien. Misschien is het nog niet te laat.’ ‘Stel je voor dat de directeur zou merken dat ik er niet ben  Hij zou vragen naar mijn afwezigheid, de afdelingschef zou zeggen dat het al een tijdje aan de gang was, dat ik met dat been niet kan volgen, waarop de directeur hem beveelt mij te ontslaan.’ ‘Dat is exact wat er gaat gebeuren als je wel gaat’, zei zijn vrouw. ‘Denk je dat die directeur weet wie jij bent? Voor hem ben je nummer dertien aan band vier. Hij weet niet dat je bestaat. Het kan hem zelfs geen reet schelen.’ D keek haar verwonderd aan. Geschrokken zelfs. ‘Je taal’, zei hij. Het werd duidelijk dat er niks veranderen zou. Zijn vrouw gaf hem zijn boterhammen en thermos. D hief de handen hoog en zei haar:  ‘Met jou is alles meteen het noodlot! Een drama. Een tragedie. Alles is onvermijdelijk. Alles is fataal. Snap je dat dan niet? Wat we wensen komt nooit uit!’ D knikte het zieke been van de vloer, greep met beide handen de randen van deur en stijl en zwaaide zich de gang in. Hij nam bus 47. 

Het was vijf voor elf. De ploegleider had de pauze uitgesteld tot na het bezoek van de directeur. D beperkte zijn achterstand tot een absoluut minimum. De pallets stonden achter in het magazijn, de dozen waren netjes gestapeld, de plakjes lagen niet op een uitdeinende stapel. De directeur kon komen. In de doorgang naar de afdeling wachtte de ploegleider de directeur op. Na hem en zijn gezelschap (bestaande uit zijn secretaresse, zijn PR- manager, zijn boekhouder, zijn adjudant en de afdelingschef) de handen te hebben geschud, wenkte hij hen de vloer op. Band 1, band 2, band 3, op en neer, een praatje, een vraagje, een schouderklopje. De groep stond rond D. ‘Het is duidelijk dat de koersdaling van de Euro tegenover de Dollar gunstig is voor de lancering van het project’, verklaarde de directeur aan zijn entourage. ‘Nu is dus het juiste moment om te handelen.’ D ving de plakjes ham op in de linkerhand, terwijl hij met de rechterhand achter zich een nieuwe doos vastgreep. Hij plooide de doos open, schoof ’m de band op en trok tegelijkertijd de vorige, nu volle doos, weg. Zijn hart klopte in de keel. De directeur knikte even, haast automatisch maar toch merkbaar. Het groepje wandelde verder. Ze stonden al rond P. Die schoof een rol in de pers en drukte de knop in. Hij miste. Drie tellen later blokkeerde de machine en viel de band stil. Ook het geluid verdween. ‘Wat moet dit voorstellen?’, vroeg de directeur. Hij stampte P ruw opzij, rukte de machine open en sleurde er de geblokkeerde rol uit. ‘Jij daar!’ De directeur wees naar D en zei: ‘Kom even een nieuwe opsteken.’ D bevroor.Vooruit!’ beval de ploegleider,doe wat de directeur je vraagt.’ D bewoog. Hij sleepte met het been. De voet liet een vochtig slijmspoor achter, als de strepen van een natte dweil. ‘Wat heb jij?’ De directeur draaide zich naar de afdelingschef. ‘Sinds wanneer werven we hier gehandicapten aan? Die vergadering heb ik niet voorgezeten. Wat doet die kerel in mijn fabriek?’ D stak de rol in de pers en drukte op de knop. De band schoot even in gang, doch blokkeerde opnieuw. ‘Kan hier dan niemand deftig die rol plaatsen!’ zei de directeur geagiteerd. ‘Excuseer’, zei P en wurmde zich door het groepje heen terug naar voor. Hij nam een nieuwe rol. Deze keer  miste hij niet en zat het tot op de millimeter perfect. De band draaide weer. Seconden later vielen de plakjes ham in de plas en stapelden zich op. D keek ernaar. De directeur keek naar hem. Het vonnis volgde. Ontslaan’, beval de directeur de afdelingschef. ‘Op staande voet.’ Het groepje lachte stil maar misselijkmakend om de misplaatste grap. ‘En die twee rollen houd je van zijn loon af.’

Een half uur later stond D aan de bushalte. Het was vroeg in middag. De zon scheen koud. Hij ging zitten. De bussen kwamen en gingen. Ze stopten en openden de deuren. De chauffeurs – ze kenden D allemaal -  schokschouderden en reden verder. Om kwart over vijf vulden de arbeiders het perron. Rond halfzes fietste P voorbij. Ook hij wou D niet herkennen. Uiteindelijk was het een politiewagen die stopte. De agenten stapten uit en vroegen D wat er aan scheelde. D zei niks meer. D wachtte. Een ambulance bracht hem naar de spoedopname. Daar hebben ze het been afgezet.

Tegenwoordig gespt D zijn kunstbeen los en legt het voor zich op de kasseien, samen met zijn hoed, waarin hij altijd een paar centen gooit. Dat maakt het schenken immers gemakkelijker.

_____________________________________________________

Ewald Stals werd geboren te Gent, op 4 juli 1968, studeerde er Bio-ingenieur en ging er, na zijn legerdienst, werken als productiemanager voor een vleesverwerkend bedrijf. In de VS studeerde hij Amerikaanse geschiedenis en literatuur. Terug in België werkte hij aan zijn eerste roman, Emptiness,Nevada, uitgegeven in eigen beheer. Vervolgens vertrok hij als logistieker voor Artsen Zonder Grenzen naar Angola, de eerste van een lange reeks missies voor deze humanitaire organisatie.


Uitgeverij ´Het zinkend schip´ publiceerde op 8 Januari 2006  de verhalenbundel ´Gent Feest!´. Uitgeverij Quist publiceerde op 10 maart 2006 de verhalenbundel ´Morgen werk, morgen oorlog´.

Hij publiceerde verhalen in ´De Brakke Hond´, ´Kort literair´, ´Ballustrada´ , ´Dighter´, ´En er is´, ´Op Ruwe Planken´,  ´Gierik, nieuw Vlaams tijdschrift´, ´Lava´ en ´Vorm´,

Ook op verschillende internetsites is er werk van hem te lezen, zoals
´Meander´, ´De neus´, t´Muzenkoeriertje´, ´De gekooide roos´, ´Cerberus, SF en Horror´, ´Het schrijverspodium´, ´Sterke Bak´, ´Bicat´, ´Nu wij weer´, Aarghh!´, ´Werktitel´, ´Komkommer § Kwel´,

20 juli 2006

Nachtwake - Arjen van Meijgaard

Toen ik wakker werd, de nacht was lang en diep geweest, merkte ik dat ik mijn bril nog op had. Hij klemde op mijn neus, haakte achter mijn oren. Mijn wimpers raakten de glazen omdat ik op mijn rug lag. Ik draaide mijn hoofd naar rechts en zag de dingen in de kamer veel scherper dan alle andere ochtenden wanneer ik wakker werd. Het schilderij met het scheepje op zee, gevaarlijk deinend op grijze golven met witte schuimkragen. Ik kon zelfs de dunne mast zien en de vlag in de top. Het moest ochtend zijn, diffuus licht viel door lange ietwat vervuilde vitrage. Ik hield niet van vitrage, maar mijn vrouw had zich niet veilig gevoeld achter het kale glas. Haar foto stond op het nachtkastje aan de andere kant van het bed, haar kant. Met mijn ogen dicht kon ik haar uittekenen. Maar nu draaide ik mijn hoofd voorzichtig in haar richting, de zwart-wit afbeelding van haar gezicht lachte me toe, een vertrouwelijke glimlach. Ze keek of ze me begreep en wist wat ik doormaakte. Vannacht had de bril me waarschijnlijk niet in de weg gezeten, omdat ik sinds een paar weken op mijn rug slaap, draaien lukt niet meer met mijn stramme lichaam. Was ik gisterenavond te moe geweest om hem af te doen? Langzaam, schoof ik mijn benen over de rand van het oude tweepersoonsbed waarvan één helft al jaren onbeslapen was en ging rechtop zitten. Ik keek naar mijn knieën en zag de grijze stof van het pak dat ik vrijwel elke dag aanhad. Ik bekeek de rest van mijn lichaam, mijn armen staken in het grijze jasje, behorende bij de broek, de manchetten van het ooit witte overhemd staken eronder uit. Ik draaide aan mijn trouwring, dat ging makkelijker dan normaal. Zachtjes bewoog ik mijn tenen, het viel me nu pas op dat ik niet het koude zeil had gevoeld. Aan mijn voeten zaten mijn zwarte lakschoenen, de zolen scheefgelopen, de veters meerdere keren aan elkaar geknoopt. Ik strekte mijn rug en zette me met beide handen af tegen de rand van het bed, maar het lukte me niet om te gaan staan. Hoe kan het dat ik geheel aangekleed in bed was gaan liggen? Ik kon me niet meer herinneren wat ik gisteren had gedaan en de dag daarvoor. De dagen hadden de laatste jaren steeds op elkaar geleken, maar nu had ik geen enkele herinnering. Wanneer had ik voor het laatste gegeten, was de post wel uit de brievenbus gehaald, had ik de woonkamer wel gelucht? Triviale vragen, maar de antwoorden wist ik niet. Ik voelde me ontzettend moe. MIjn blik werd getrokken door iets aan het voeteneind. Op de houten reiskist stond een groot boeket, witte bloemen met lange puntige bladeren. Ik wilde opstaan, maar mijn lichaam niet. Traag zakte ik terug in de kussens. Misschien moest ik nog maar wat proberen te slapen.

12 april 2006

Thuiskomst - Arjen van Meijgaard


Hij hield de deurkruk vast, maar durfde niet naar binnen te gaan. Wat als ze er niet was, of naakt op bed lag met een andere man? Ze hadden beloofd elkaar een tijdje met rust te laten. Hij logeerde bij zijn broer, zij bleef in hun appartement.
Als ze er niet was, zou hij een briefje kunnen achterlaten, of net doen alsof hij niet langs was geweest. Als ze er wel was, zouden ze ruzie gaan maken en zou zij hem op verwijtende toon de deur wijzen. En als er een man bij haar op bezoek was, dan zou hij wel eens door kunnen draaien en zijn zelfbeheersing kunnen verliezen.
Voorzichtig legde hij zijn oor tegen de deur, het zag er vast belachelijk uit, luisteren aan je eigen voordeur. Hij hoorde een zacht gebrom, af en toe een pauze, en dan weer het monotone geluid,
ongetwijfeld een mannenstem. Het zou toch niet haar collega zijn over wie ze wel eens verteld had, of die man van de tennisbaan? Hij stelde zich een oudere man voor, zittend op hun bank, met een beker koffie in zijn grote, warme handen die zojuist nog haar witte zachte huid gestreeld hadden.
Hij trilde, wat een brutaliteit om direct al met iemand anders aan te pappen, nog geen drie dagen na hun afspraak om elkaar een poosje niet te zien. Met een ferme ruk opende hij de voordeur, beende door de gang en stapte de woonkamer in.
Daar stond ze, met de stofzuigerslang in haar hand en haar rug naar hem toe gekeerd. Ze had hem niet horen binnenkomen. Hij onderdrukte een zucht van verlichting. Even twijfelde hij of hij haar
zou aanspreken, zijn arm om haar middel zou leggen, maar hij draaide zich om en sloop het appartement weer uit. Gerustgesteld liep hij over de galerij naar de lift. Toen hij beneden de centrale hal uitstapte, botste hij tegen een brede man op die juist naar binnen ging, even rook
hij de zoete aftershave waarvan hij wist dat zij hem zo lekker vond.

weblog Arjen van Meijgaard


7 april 2006

Aarde - Rinske Kegel

___________________

Een tekst die naar ons idee meer aandacht verdient en we dus om die reden even naar boven halen, is het verhaal Aarde geschreven door Rinske Kegel.

red. Verlaine

___________________


'Zo dus.', zei de man.
'Ja zo', zei de vrouw, en keek hem in de ogen zonder te knipperen.
'Dat is alles wat je te zeggen hebt?'
'Ja', zei de vrouw.
Ze draaide zich om. Hoe lang de stilte had geduurd in de dure designkeuken met het felle licht, ze had niet op de klok durven kijken.
Ze had ervan genoten. Elke schep. Elke armbeweging, elke zweetdruppel. De spierpijn die ze nu had was een genot.
Die ochtend was hij naar zijn werk gegaan. Ze stond altijd tegelijk met hem op. Ze had de lamellen opengedaan, de warme kraan aangezet en de vloerverwarming gecontroleerd. Haar taken waren duidelijk. Ze vond de structuur prettig en hij ook.
Hij was attent voor haar, naam sieraden voor haar mee, een shawltje maar nooit bloemen want die verlepten maar. Hun woning had geen verdiepingen, trappen lopen vond de man overbodig.
Ze hadden geen tuin, wel een betonnen terras met een zwembad.
Toen hij de deur uitging stond ze zoals altijd voor het raam om hem uit te zwaaien. Ze stond nog te zwaaien toen hij de hoek al om was, in gedachten verzonken.
Ze had niet in de gaten dat er een container met zwarte aarde voor was komen rijden. Ze zwaaide nog steeds en de man in de wagen zwaaide terug om haar te groeten.
Een andere man was uitgestapt bij de laadbak en gaf een draai met zijn arm in de lucht en brulde: 'draaien'.
De vrouw stond nog steeds voor het raam. Nu zwaaide ze niet meer maar stond verstijfd te kijken hoe de laadbak met een piepend geluid omhoog kwam. Op een teken van de man ging de klep open. Een grote berg aarde lag op de oprit van de vrouw.
Met hetzelfde piepende geluid draaide de bak weer omhoog. De jongen stak zijn duim omhoog naar de vrouw en zwaaide. Verbijsterd zwaaide de vrouw terug.
Ze liep naar de voordeur en opende deze. Een hoopje aarde viel naar binnen, over haar pantoffels heen. Ze snoof de geur op en vond het heerlijk.
Ze rende naar het schuurtje om de kruiwagen en de schep te pakken.
Ze begon de kruiwagen vol te scheppen en reed ermee naar binnen. Ze begon achter in het huis.
En verspreidde de aarde gelijkmatig over de vloer. Ze kon er niet mee stoppen, koortsachtig ging ze door tot de hele vloer bezaaid was, zelfs het vloerkleed had ze bedekt.
Toen was het klaar. Jammer.
Ze zette de spullen terug in de schuur, pakte de bezem om de oprit schoon te vegen, haalde de beste fles wijn uit het rek, ging op de bank zitten en dronk rechtstreeks uit de fles.
Zo bleef ze zitten wachten tot haar man thuis zou komen.


21 maart 2006

Balkon - Arjen van Meijgaard


Met één been over de balustrade, een rilling kon hij nauwelijks onderdrukken, keek hij naar de kleine auto's op straat. Zijn rechterbeen was gespannen, zijn linker hing los in de lucht. Met beide handen hield hij de balustrade vast. Hij hoefde er alleen maar helemaal overheen te klimmen en zich dan af te zetten. Dat was alles.
Hoe vaak had hij hier al gestaan? Wachtend op het moment dat hij wel zou durven. Steeds was hij weer terug het balkon op gestapt. Eén keer had hij zelfs op de balustrade gezeten. Een fractie verwijderd van de sprong, of de val, zoals hij het liever beschreef. Toen had een vrouw van beneden toevallig naar hem op gekeken en een gil geslaakt. Ze was het hotel ingestormd en een paar minuten later, op het moment dat hij in de badkamer zijn handen onder de koude kraan hield, werd er hard op zijn deur geklopt. De receptionist stond met wit weggetrokken gezicht voor hem. Hij probeerde iets te zeggen, maar kwam niet uit zijn woorden.
'Beneden, een vrouw, balustrade, u, springen?'
Hij schudde zijn hoofd en stelde de man gerust.
'Ik genoot van het uitzicht, dat was alles. Men moet niet zo snel in paniek raken.' Hij sloot de deur weer voor de receptionist en ging op zijn rug op bed liggen.

Dat was vorige week geweest. Hij woonde nu drie weken in dit hotel en was er ingetrokken met slechts één doel. Hiervoor had hij speciaal om een kamer aan de voorkant gevraagd, op de vijfde of zesde verdieping. Dat was hoog genoeg.
Het moest 's avonds of 's nachts gebeuren, het moest donker zijn. Het daglicht was er niet geschikt voor. Daarom slenterde hij overdag door de stad, at een broodje in het park of lag op zijn bed naar de geluiden uit de stad te luisteren. Wachtend tot het avond werd, tot hij kon doen waarvoor hij hier was.
Het kwam er alleen steeds niet van. Vol zelfvertrouwen en vastberadenheid schoof hij de deur naar het balkon open. In die ene seconde die nodig was om bij de balustrade te komen, het balkon was anderhalve meter breed, kwam een alles overheersende twijfel op. Waarom nu, waarom niet morgen? Met de grote moeite kon hij van de vastberadenheid die hij eerder nog in overvloed had gehad, een glimp vasthouden. Genoeg om in ieder geval tegen de balustrade te leunen, er soms zelfs zijn been overheen te tillen. Net als vanavond.
Het licht van de straatlantaarns verlichtte het decor van zijn act. Het verkeer raasde naar huis. Hij voelde dat hij nu meer zou durven dan gisteren, en dan de dag daarvoor. Hij trok zijn andere been op, zocht het evenwicht om niet nu al te vallen. Hij wilde bewust vallen, niet zomaar. Plots klonk binnen de telefoon. Wie wist dat hij hier zat, wie wilde hem spreken? Het gerinkel verstoorde het evenwicht dat hij had gevonden. Hij wankelde en zette snel zijn ene been weer achter zich op het beton van het balkon. Hij kon teruggaan en opnemen of juist nu doen wat hij zich had voorgenomen. Terwijl iemand contact zocht al het contact verbreken. Hij wachtte en telde. Zeven keer ging de telefoon over, toen werd het weer stil. Hij kon zich weer concentreren op de straat beneden zich. De auto's, de mensen op de stoep, de bus die afremde bij een halte.
Kramp in zijn armen deed hem even vooroverhellen. Meteen klemde hij zich steviger vast aan de balustrade. Nu of morgen, dacht hij. Langzaam trok hij zijn linkerbeen terug. Morgen.


20 november 2005

Meneer ten Kate (De miskenning) - Lea Bolle

School was hel. Je leerde er niet veel en moest er om zien te gaan met klasgenoten die je niet voor 't kiezen had en met leraren die je al helemaal niet zag zitten. Toch heb ik van enkele leraren wel de nodige inspiratie gekregen om me intellectueel te ontwikkelen. De ene was mijn leraar nederlands. Bij hem leerde ik een roman helemaal stuk te analyseren en leerde ik van alles een symbool te maken. Zo kon je de wereld op een veilige afstand zetten. De ander was geschiedenisleraar. Ten Kate heette hij en ik had les van hem in de eerste, vijfde en zesde klas.

Ten Kate was in de dertig maar hij leek wel zestig. Hij was vrijgezel, had een varkenskop en keek altijd verlekkerd naar de billen van Tosca wanneer ze langsliep, waarbij zijn tong naar buiten kwam hangen, althans zo herinner ik het mij. Tosca was een wat beter ontwikkelde klasgenote in mijn eerste jaar op school, met lange blonde haren en een aardappel-'r'.

Ten Kate was een vreselijke man die geweldig kon vertellen. Hij bracht de geschiedenis van Rome en Griekenland tot leven en voerde in zijn eentje hele veldslagen op het podium met triremen en olifanten en al. Vaak werd ook de klas gemobiliseerd om één en ander uit te beelden. Zoals Tosca altijd de geile blikken kreeg, zo kreeg André, die, nadat hij door meneer ten Kate tot Horus was uitgeroepen altijd Horus zou blijven heten, altijd de slachtofferrol in de drama's die we moesten opvoeren. Zo werd Horus eens geheel in verband gewikkeld, zodat we zouden zien hoe een mummie er uit zag. Ik herinner me ook hoe ten Kate deze Horus eens straf wilde geven en hem daartoe meenam naar huis. Ik zie ze nog fietsen en voel nog de vraagtekens die boven mijn hoofd hingen. Later werden deze aangevuld met uitroeptekens, maar ik heb verder nooit mogen horen wat er verder wel of niet gebeurd mocht zijn.

Behalve de grijns voor Tosca's achterwerk, was er ook altijd de grijns voor Yvette Wolff . Yvette met haar donkere haar, met haar bleke huid en paardentanden, met haar blauwe jurkje met koordjes, viel erg bij meneer ten Kate in de smaak. Als zij een beurt kreeg en op het podium stond, zat hij altijd met een grote grijns aan de zoom van haar jurk of speelde hij met de koordjes die van haar middel naar beneden hingen. Heerlijk vond hij het als ze geen antwoord wist en stond te draaien om van hem los te komen. Zij kreeg vaak een beurt. Ik niet.
Wat ik dan van hem leerde? Ten Kate was de enige leraar die vragen stelde waarbij je moest nadenken, doorredeneren, om aan een antwoord te komen. Hij leerde je, kort en goed, om te denken, iets wat verder niet erg werd gestimuleerd.. Dit fascineerde me al in de brugklas en elke keer wanneer er een vraag kwam sprintte ik naar een antwoord en stak ik mijn vinger in de lucht. Maar gek genoeg, ook al wist ik bijna altijd het antwoord, ook al was ik de enige met mijn vinger in de lucht, kwam ik nooit aan de beurt. Ik leek onzichtbaar. En steeds was ik weer trots op het antwoord dat ik niet mocht geven.
Wanneer Tosca haar vinger opstak mocht ze het altijd zeggen, ook als het fout was. Dat was niet erg.

Na enkele nietszeggende jaren op historisch gebied (een vak staat of valt met de leraar) kreeg ik in de vijfde klas weer les van Ten Kate. Ik zat nu naast Yvette Wolff, die geen enkele ambitie had om na school verder te leren (dat vond ze zelfs bijzonder dom) en die nog steeds Ten Kate's bijzondere aandacht trok. Yvette was erg lichamelijk ingesteld en streelde zichzelf vaak zonder dat ze er misschien zelf erg in had. Dan rekte ze zich uit, gooide haar hoofd naar achteren en streek zich over haar zijden, daarbij gelukzalig kijkend en waarschijnlijk denkend aan haar vriend die kranten rondbracht, ook naar haar huis. Nog steeds zag Ten Kate mij niet zitten en ik deed niet zoveel moeite meer om mezelf te bewijzen. Ik liet me gelaten in de rol van prostituee drukken in een toneelstukje waarbij klasgenoten mochten discussiëren over sociaal determinisme. Ik liet me lusteloos in de rol duwen van de juffrouw die de verkiezingsuitslagen op het bord noteerde, terwijl mijn klasgenoten stemden. Meepraten mocht ik niet, werd niet van mij verwacht.

En toen kwam het eindexamen. Ik had een werkstuk gemaakt over het existentialisme en had alle verdere stof goed doorgenomen zodat de basis was gelegd voor doorwrochte verhandelingen, alle strikvragen onderscheppend en met alle oplossingen voor doordenkers voor handen. De ochtend voor het examen had ik een rood truitje aangetrokken dat vanzelf omhoog kroop als ik met mijn armen bewoog en dat dan een streep blote buik liet zien. Aangekomen bij het lokaal keek Ten Kate toe hoe ik mijn jas uitdeed en ik voelde hoe daarbij m'n truitje optrok en er een streep buik zichtbaar werd. Ten Kate grijnsde. Daarna stelde hij me voor aan de co-examinator die na het horen van mijn naam ermee begon alle familiebetrekkingen na te lopen. Herman? Ja, was mijn broer. Elma? Ja, was mijn zus. Nico? Ja, was mijn broer. Daarna was het mijn beurt om met namen te komen. Dat existentialisme was veel te hoog gegrepen, daar begonnen we maar niet aan, maar misschien dat ik wat namen van nederlandse verzetshelden kon noemen? Het werd akelig stil. Nederlandse verzetshelden? Feiten? Namen? Hij ging me toch niet vragen over zulke onbenullige zaken? Ze trachtten me te helpen: stel dat je door de verzetswijk loopt, welke namen zie je dan? De verzetswijk was een nieuwbouwwijk waar ik nog nooit geweest was. Ik fietste er hoogstens langs op weg naar het zwembad. Toen ik na vergeefse pogingen verder werd ondervraagd haalde ik meteen maar van schrik de 'honderd dagen' (van Napoleon?) en de 'lange mars' (van Mao) door elkaar en ze knikten elkaar toe, Mao en Napoleon, Ten Kate en de Jong, de leermeesters. Het was ook niet zo'n licht, meenden ze, maar omwille van de familierelaties gunden ze me nog een zesje.
Even later stond Ten Kate weer grijnzend toe te kijken hoe ik me in mijn jas hees, het truitje daarbij met de schouders omhoog trekkend.


1 november 2005

Het overhemd - Fennie Steenhuis

Hij had de avond tevoren zorgvuldig zijn overhemd gestreken. Gewoonlijk liet hij dit door een werkster doen, maar voor een zo speciale gelegenheid nam hij zelf het strijkijzer ter hand. De witte boord was het moeilijkst, er was een opeenvolging van ronde vouwtjes gekomen aan de rand, hij was wel een kwartier bezig geweest die er uit te persen.

Toen het overhemd volmaakt glad was, met messcherpe vouwen op de mouwen, precies op de plek waar ze hoorden en volkomen symmetrisch ten opzichte van elkaar, hing hij het voorzichtig op een hanger en keek er naar. Dit witte overhemd, dit kraakheldere onwetende kledingstuk, zou hij morgen dragen, met een schone zwartkatoenen spijkerbroek die nu nog keurig opgevouwen op een hoek van zijn bed lag.

Hij belde zijn ouders en dacht aan zijn zuster en broer, die vreemden voor hem waren geworden. Hij was een eigen, belangrijke weg gegaan, die niet paste bij de alledaagse zaken die zijn familie nastreefde. Erover praten met hen kon hij niet. Het feit dat hij er niet over kon spreken, was een bewijs van de uitzonderlijkheid van zijn positie.

Zijn mobiele telefoon was die avond overgegaan. Hij zag het vertrouwde nummer op het schermpje en had ten antwoord het groene knopje ingedrukt, het zwarte leer van het hoesje tegen zijn oren gedrukt. Het was zijn vriend die de gemaakte afspraken nog even met hem doornam. Kort en helder; en met hun gebruikelijke groet hadden ze het gesprek beëindigd.

Zijn elektrische wekker, stipt bij de tijd, gaf 22:50 uur aan. Zou hij vannacht slapen? Hij wenste zich een vaste, droomloze slaap waaruit hij uit zichzelf uitgerust wakker zou worden. Hij hoopte dat hij niet gewekt zou hoeven te worden door de wekker. Hij wilde fit zijn morgen.

Hij stak een sigaret op en blies kringetjes om zich wat te ontspannen, hij oefende met zijn vingers om de spieren soepel te maken. Hij strekte en kromde de rug, draaide cirkeltjes met zijn voeten.

Hij had goed gegeten vanavond. Niet te veel en niet te weinig, zodat hij morgenochtend een prettig gevoel van lichte trek zou hebben.

Er kwam een gevoel van zwaarte en gedachteloosheid over hem. Hij zou vannacht ongetwijfeld goed slapen.

Hij bevond zich in een grote, ovale en overdekte ruimte die wel een manege leek te zijn. Paarden ontbraken; wel was het vol met mensen, die hij echter maar vaag onderscheiden kon. Hijzelf stond op een verhoging, in een van de twee scherpere rondingen van de ruimte. Hij droeg zijn witte overhemd en zwarte spijkerbroek.

In het midden van de manege stond een vreemde koets. Daarin wist hij zijn ouders en zuster en broer.

Schuin tegenover hem sprak een man, die ook op een verhoging stond, de aanwezigen toe. Hij begreep dat het over zijn familie ging. Zij zouden niet in het gezelschap passen en moesten daarom met koets en al afgevoerd worden.

Dit kon hij onmogelijk toestaan. Hij sprong van de verhoging af en baande zich door de mensen, die verhit begonnen te raken door de toespraak van de man, een weg naar de koets. Ruw trok hij de deur open. Als beelden zaten zijn broer, zuster, moeder en vader in de koets. Alle vier droegen ze een kap over het hoofd die hun hele gezicht bedekte. Hij werd woedend omdat zij zich voor hem verborgen. Hij sloeg de kap van het hoofd van zijn broer, maar er zat niets onder. Zijn broer had zijn hoofd verloren.

Hij werd bang. Wat zat er onder die andere kappen? Waarom waren zij als beelden verstard? Opnieuw sloeg hij een kap weg, nu die van zijn zuster. Haar ogen waren wezenloos, het leek alsof zij zich in een volkomen comateuze staat bevond. Achter hem hoorde hij de menigte roepen, ‘Weg met deze mensen! Als het niet goedschiks kan, dan kwaadschiks!’

In grote haast sloeg hij nog een kap weg. Hij zag het dode gezicht van zijn moeder, het bloed van de messteek in haar hals leek vers.

Mensen achter hem trokken aan de riemlussen van zijn broek. Vertwijfeld, maar ervoor beducht dat het bloed van zijn moeder niet op zijn schone overhemd zou komen, trok hij de kap van het laatste hoofd naar beneden. Maar zijn vader had het hoofd verloren.

Hij viel, en voelde dat hij gedragen werd door een grote groep mensen die geheel buiten zichzelf was. Zij stortten zich in het binnenste van de koets, hakten met messen in op zijn zuster, zijn vader, zijn broer, zijn moeder. Het bloed spatte op zijn witte overhemd, overal kwamen vlekken, op de mouwen, op de borst, op de kraag, op zijn buik, bij de manchetten. Zijn overhemd werd rood doorweekt.

Toen draaiden moordzuchtige mensen zich naar hem om, zij keken naar hem als met één gezicht.

Een klein groepje sjorde aan de koets om die af te voeren. De wielen maakten een monotoon en bijzonder regelmatig geluid dat in kracht toenam.

‘Nu jij!’

De wekker ging. Hij schrok op. Vervelend dat hij niet uit zichzelf wakker geworden was. Schuin tegenover hem, aan de buitenkant van zijn kledingkast, hing zijn witte overhemd, stralend en onaangedaan. Hij stond op en voelde liefkozend aan de stof. Heel vluchtig liet hij een mouw zijn voorhoofd, wangen en hals beroeren.

Hij nam een korte douche. Hij was fit. Langzaam en weloverwogen knoopte hij zijn overhemd en broek dicht. Hij kamde zijn gewassen haar nauwkeurig, poetste zijn tanden, deed zijn horloge om. Hij vermeed het bij dit alles in de spiegel te kijken. Hij gleed met de vingertoppen voorzichtig over zijn hele gezicht, zijn nek, zijn haar. Ook voelend wist hij hoe hij eruitzag, daarvoor had hij geen spiegel nodig. Hij herhaalde de handeling, maar nu met de hele handpalmen en de binnenkant van zijn vingers. Had hij een hoofd of niet?

Hij schraapte zijn keel en ging naar buiten, hij sloot de deur af. Hij had een klein koffertje bij zich, met alleen het hoognodige.

Zowel hij als zijn vrienden waren op tijd. Vrienden met wie hij kon spreken over zaken die zijn ouders en broer en zuster niet begrepen of waarvan ze eenvoudigweg niet op de hoogte mochten zijn. Ze knikten elkaar nauwelijks merkbaar toe.

Zonder enige moeite werden ze overal doorgelaten. Hij streek een vouw in zijn overhemd glad en keek op zijn horloge. Nog maar anderhalf uur.

Toen zijn vrienden bezig waren een bloedbad aan te richten, liep hij omzichtig langs hen heen. Hij wilde zonder spatten aankomen. Bloed was zijn werk niet.

Terwijl hij in de cabine kalm achter het bedieningspaneel plaatsnam, hoorde hij achter zich het gehuil en gegil van mensen die in doodsangst verkeerden. Maar vóór zich zag hij zijn doel. Hij verrichte vastberaden de juiste handelingen en zag de toren die in het herfstzonlicht schitterde, steeds dichterbij komen.

Toen hij de toren tot op vijftig meter genaderd was, streek hij voor de laatste keer over alle knopen van zijn overhemd.

25 oktober 2005

Verdwijningen - Alice Schutte

Iemand liep op straat, ging een huis binnen en verdween. Er kwam nog iemand aan die hetzelfde deed. En nog iemand en zo voorts. In de loop van de dag verdwenen er nogal wat personen in het huis. Uiteindelijk, toen de lucht nog steeds wit was, kwam er een man met energieke pas de straat in lopen. Hij ging het huis binnen maar kon vervolgens achter verscheidene ramen gezien worden.


24 oktober 2005

Aarde - Rinske Kegel

'Zo dus.', zei de man.
'Ja zo', zei de vrouw, en keek hem in de ogen zonder te knipperen.
'Dat is alles wat je te zeggen hebt?'
'Ja', zei de vrouw.
Ze draaide zich om. Hoe lang de stilte had geduurd in de dure designkeuken met het felle licht, ze had niet op de klok durven kijken.
Ze had ervan genoten. Elke schep. Elke armbeweging, elke zweetdruppel. De spierpijn die ze nu had was een genot.
Die ochtend was hij naar zijn werk gegaan. Ze stond altijd tegelijk met hem op. Ze had de lamellen opengedaan, de warme kraan aangezet en de vloerverwarming gecontroleerd. Haar taken waren duidelijk. Ze vond de structuur prettig en hij ook.
Hij was attent voor haar, naam sieraden voor haar mee, een shawltje maar nooit bloemen want die verlepten maar. Hun woning had geen verdiepingen, trappen lopen vond de man overbodig.
Ze hadden geen tuin, wel een betonnen terras met een zwembad.
Toen hij de deur uitging stond ze zoals altijd voor het raam om hem uit te zwaaien. Ze stond nog te zwaaien toen hij de hoek al om was, in gedachten verzonken.
Ze had niet in de gaten dat er een container met zwarte aarde voor was komen rijden. Ze zwaaide nog steeds en de man in de wagen zwaaide terug om haar te groeten.
Een andere man was uitgestapt bij de laadbak en gaf een draai met zijn arm in de lucht en brulde: 'draaien'.
De vrouw stond nog steeds voor het raam. Nu zwaaide ze niet meer maar stond verstijfd te kijken hoe de laadbak met een piepend geluid omhoog kwam. Op een teken van de man ging de klep open. Een grote berg aarde lag op de oprit van de vrouw.
Met hetzelfde piepende geluid draaide de bak weer omhoog. De jongen stak zijn duim omhoog naar de vrouw en zwaaide. Verbijsterd zwaaide de vrouw terug.
Ze liep naar de voordeur en opende deze. Een hoopje aarde viel naar binnen, over haar pantoffels heen. Ze snoof de geur op en vond het heerlijk.
Ze rende naar het schuurtje om de kruiwagen en de schep te pakken.
Ze begon de kruiwagen vol te scheppen en reed ermee naar binnen. Ze begon achter in het huis.
En verspreidde de aarde gelijkmatig over de vloer. Ze kon er niet mee stoppen, koortsachtig ging ze door tot de hele vloer bezaaid was, zelfs het vloerkleed had ze bedekt.
Toen was het klaar. Jammer.
Ze zette de spullen terug in de schuur, pakte de bezem om de oprit schoon te vegen, haalde de beste fles wijn uit het rek, ging op de bank zitten en dronk rechtstreeks uit de fles.
Zo bleef ze zitten wachten tot haar man thuis zou komen.


30 september 2005

Kil - Guirlande F.


Guirlande F. is winnaar van Write Now Den Haag 2005 en publiceert haar werk op eindelijk.schemering.nl.

______________________________________

Kil

Door de grauwe avondlucht rijdt een auto. Hij is donkerblauw en er zit een man achter het stuur. De rijbaan is lang en recht. Langs woonwijken en weilanden vliegt de wagen. Ver voor hem rijdt een rood busje, achter hem een vrachtwagen en vele andere auto's.
Koeien buigen hun koppen dichter naar het gras als het begint te regenen. Een eend klimt vanuit de sloot omhoog, waggelt naar de weg. Het rode busje passeert. Drie stappen, dan wijkt het water op het wegdek voor de zwemvliezen.
De donkerblauwe auto mindert geen vaart, de man geeft geen onverwachte zwaai aan zijn stuur. Er is niets aan de hand. De koeien kijken niet om naar de voorbijrijdende sliert auto's.
Wat achterblijft is een beetje viezigheid en veren.


27 september 2005

C.P. Vincentius


C.P. Vincentius publiceerde de afgelopen tien jaar o.a. in Schoon Schip, Vrij Nederland en Mondzeer en de Reuzenkreeft. Het laatste jaar is zijn werk (proza en poëzie) o.a. verschenen in Permafrost, Krakatau, Propria Cures, De Neus, Lava en De Gekooide Roos.

In Verlaine een tweetal proza-bijdragen.

_________________________________________________

Buitengewoon goed gelukt

Het beste in het leven komt vaak vanzelf, na een lange periode van streven.Het peil is anders dan u en ik gewend zijn. Ik zal het u vertellen. U gaat bij de jasmijnstruik in het plantsoen staan. Zodra vrachtwagen en personenbus de straat inrijden, komen kinderen uit de school en verzamelen zich op het schoolplein. Zij kijken naar vrachtauto, personenbus en chauffeurs. Beide mannen krijgen van mij een hand. De andere schooljuf stopt bij het hek van het schoolplein en spreekt de aanwezigen toe. Het welkom is goed gelukt. Kinderen gedragen zich. Voor foto's kunnen U en andere toeschouwers ook aan deze zijde van de straat staan.

__________________________________________________

Weerklank

Iedereen kan gewoon zeggen wat holte kan betekenen. Iedereen kan zijn beurt vaststellen. Met kromme nagels kunnen eigenaardige kenmerken in de binnenkant van de schedel worden aangebracht. In de wachtkamer krijgt ieder een nummer. Nummer 821 begint deze ochtend en wij zijn nummer 834. Er zijn dus dertien personen voor ons. Drie loketten zijn open; grof gemeten zijn er 4 wachtenden per loket voor ons. Maar, nee. Er zitten vier gezinnen met kinderen op één nummer tussen. Dat zijn zoveel holtes en nagels extra dat wachten nauwelijks loont. Voetstappen echoën ondanks de volle wachtkamer en de vinyl vloertegels. Elk van de schedels hoort hoe holte klinkt tijdens de behandeling