Op 2 november 1978 kwam in de Spaanse havenstad Gijon het Argentijnse passagiersschip Malvinas aan. Aan boord Victor Quesada, niemandsvriend uit Eduardo Castex. De Malvinas had een barre tocht over de oceaan achter de rug, met als resultaat dat menig passagier gebukt ging onder zeeziekte. Tussenstops in Rio de Janeiro, Ponta Delgada en Santa Cruz de Tenerife had de opvarenden enigszins op adem doen komen, maar het ellendige weer op zee had de laatste twijfelaar toch doen besluiten voortaan het vliegtuig te kiezen. De bootdienst Spanje-Argentinië zou binnen enkele maanden definitief tot het verleden behoren.
Victor Quesada echter was de enige passagier die zich als een blok door de woelige baren heensloeg, opgeslokt als hij was door een dik boek met een muffig kaft met 756 bladzijden, dat hij in zijn hutkoffer meedroeg. Elke dag dwong hij zichzelf tot het lezen van 12 bladzijden uit De vernuftige edelman Don Quichote van La Mancha, een taak die vergemakkelijkt werd door de massale zeeziekte van zijn medepassagiers. Quesada had niet te lijden aan afleiding door medemensen.
Na 63 dagen arriveerde de Malvinas in Gijon en had Victor Quesada het boek uitgelezen. Monter betrad hij de kade, ademde de zilte lucht en zei tot zichzelf: ‘Het is zover.’
Victor was op 4 september 1945 ter wereld gekomen als zoon van Rafael Javier Quesada en Isabella Macfarlane. Vader Rafael was afkomstig uit een boerengeslacht, moeder Isabella de kleindochter van een Engelse immigrant. Als de vierde boerenzoon Quesada was Victor grootgebracht op een grote hoeve vlak buiten Eduardo Castex in het departement Conhelo in de provincie La Pampa. Het was geen gelukkige jeugd. Regelmatig waren er de stokslagen van vader en slechts de stille liefde van zijn moeder. Victor groeit op tot een wrokkige eenzaat, die het zijn vader niet gunt dat hij wellicht nog eens zal deugen. Hij heeft maar een droom. Vrijheid, weg onder het vaderlijke juk. Cowboy worden. Gaucho. Hij houdt intens van de natuur en verlangt naar het buitenleven. Maar op de boerderij maakt zijn vader hem gek. Victor is een gevoelige jongen, maar laat zijn omgeving alleen een ongeïnteresseerde, hardvochtige jongeman kennen. Op een avond, Victor is dan zestien jaar oud, maakt hij aan tafel een spottende opmerking, gericht aan zijn vader. Rafael schiet uit zijn slof. Hij geeft zijn zoon een aframmeling van jewelste.
Nog diezelfde avond besluit Victor, terwijl zijn rug en achterwerk nog nagloeien van de slaag, weg te lopen van huis.’s Nachts voegt hij de daad bij het woord. Na achtenveertig uur rondzwerven over het platteland vindt hij toevlucht in een klooster, waar hij een paar dagen blijft. De onrust blijft echter knagen. Victor wil ver weg en vertrekt weer, lift vier dagen door het land en komt vervolgens aan in het grote Buenos Aires. Hij neemt een baantje aan als loopjongen van een slager in de Calle Pinzón, in de wijk La Boca. Met het geld dat hij verdient voorziet hij in zijn levensonderhoud, huurt een piepklein kamertje en besluit op zekere dag een boek te kopen. Ogenschijnlijk betekent dat niets, maar vader Rafael haatte boeken en vond lezers maar intellectueel tuig. Victor neemt op subtiele wijze wraak op de afgunst van zijn vader en breekt daarmee definitief met zijn jeugd. Hij weet echter niet wat hij moet kopen, maar ziet op een tafel met aanbiedingen de Don Quichote van Horacio Cervantes liggen. Hij besluit het boek te kopen, maar leest er niet in voor hij navraag heeft gedaan naar het verhaal in de kroeg waar hij veel avonden slijt. Daar laat hij de naam van de schrijver vallen, waarna een oud mannetje met een hoornen bril en dikke glazen hem met zijn vervormde oogbollen bespottend toekijkt en zegt: ‘Jongen, neem liever een goed glas bier, van boeken lezen is nog nooit iemand oud geworden.’
In de stem hoort Victor zijn vader spreken. Hij verlaat woedend het café en begint thuis onmiddellijk te lezen. Overdag doorkruist hij op een roestige fiets de straten van La Boca. Daarna verdrinkt hij avond aan avond in de edelman Don Quichot uit La Mancha. Hij leest het boek vier maal opnieuw, vergeet de wereld om zich heen en raakt volledig verslingerd aan zijn boek. Hoewel Victor Quesada nog nooit een windmolen van dichtbij heeft gezien, laat staan een paard bereden, brengt de etstekening op de kaft hem in vervoering over al dat moois dat hem zou overkomen als hij ooit zelf de stoute schoenen zou aantrekken en het voorbeeld van de labiele Don Quichot zou volgen.
Jaren gaan voorbij zonder dat er iets gebeurd, maar ergens in het hoofd van Victor is het zaad gezaaid. Hij wil diep vanbinnen maar een ding: Don Quichot achterna. ‘Het moet’, denkt hij op een ochtend in 1974, inmiddels 29 jaar oud. Van loopjongen had hij het inmiddels gebracht tot eerste slagersknecht. En terwijl hij dagelijks zijn worsten draaide en de gehaktmolen bediende, bleef hij maar dromen over de witte reuzen in het Spaanse landschap. Met zijn baas, de norse slager Marcos Guevara, naar eigen zeggen een verre achterneef van de grote Che, wisselt hij alleen de noodzakelijke plichtplegingen. De gedenkwaardige Che en het Bolivariaanse ideaal interesseert Quesada niet, als hij er überhaupt al iets van weet. ‘Het moet’, denkt hij dus en beetje bij beetje neemt Victor zich voor het plan uit te voeren.
Na vier jaar werken voor een mager loontje in de slagerij heeft Quesada genoeg geld bij elkaar gespaard. Hij fietst naar de haven en koopt een ticket voor een enkele reis Buenos Aires-Spanje, vertrekdatum 5 september 1978.
De dag voor vertrek koopt hij van Marcos Guevara diens oude hutkoffer en neemt ontslag. Als dank voor bewezen diensten stopt de slager hem zwijgend wat extra geld en twee worsten toe en knijpt hem met vette vingers speels in zijn wang. Victor telt zijn spaargeld, pakt zijn spullen en fietst naar de haven, waar hij zijn rijwiel voor een paar pesos verpatst. Met als enige een bezit een hutkoffer met wat kleren en een boek monstert hij de veerboot Malvinas, met bestemming Gijon. Hangend over de reling zegt hij Argentinië vaarwel.
En zo kwam het dat Victor Quesada op die tweede november van het jaar 1978 het Spaanse vasteland betrad, vastbesloten zijn plan ten uitvoer te brengen. Monter nam hij een trein richting het binnenland en stapte uit in Albacete. Daar doolde hij een dag rond op zoek naar een paard. Maar toen een plaatselijke boer hem probeerde af te zetten voor een bejaard exemplaar met doffe ogen, bedankte hij met een ferm handgebaar. Hij liep zonder om te kijken weg en vertrok naar Ciudad Real. Daar had hij meer succes, of minder eisen; licht wanhopig kocht Victor van zijn laatste pesetas een vaal, scheelkijkend paard dat buitengewoon traag oogde. Verlekkerd telde de handelaar het geld en keek Quesada geringschattend na terwijl deze dromerig op de hals van het dier klopte en hem El Chava noemde. De nieuwe eigenaar had geen oog voor de gebreken van zijn kersverse rijdier en besteeg het trots. El Chava was een eigenwijs ros, dat weinig van sporen begreep. Het kwam zelfs zover dat Victor hem uren stond uit te schelden op een stil kruispunt even buiten de stad, omdat het dier geen been verroerde. Hoe en waarom het dier zich eindelijk in beweging zette is een raadsel, maar Quesada was te opgelucht om daar een punt van te maken. Hij maakte zich bovendien meer zorgen om zijn armoede, nu hij zijn laatste geld had opgeofferd voor een gebrekkig paard. Dat bleek echter een meesterzet, want de herbergen, hoeves en dorpen die hij aandeed bleken allemaal meelevende bewoners te hebben. De boeren, waarden en dorpelingen hadden zoveel medelijden met het slome, scheel kijkende ros dat ze Victor Quesada spontaan onderdak en eten aanboden. Zo doolde hij met El Chava rond in La Mancha, terwijl hij uit zijn ooghoeken wantrouwend naar de gepleisterde windmolens keek, die hem overal nastaarden.
Bang om een hak gezet te worden en overtuigd van zijn roeping om de wapens op te nemen tegen de reuzen uit zijn lievelingsboek sprak hij met niemand: Quesada zweeg als het graf. Af en toe fluisterde hij een waarschuwing tegen El Chava als deze zich verstapte. Het schele dier bleek nauwelijks recht te kunnen rijden en zich door niets te laten afleiden. Na enkele dagen kwam het tweetal in Manzanares aan. Na een goede maaltijd in een klein restaurant en een bak haver voor El Chava besloot Victor Quesada dat het genoeg was: de volgende dag moest zijn dag worden. Het was 19 november 1978 toen Quesada in een steegje tegen een steen in slaap viel met zijn paard aan zijn zijde..
De volgende ochtend wordt hij al vroeg wakker van het lelijke gehinnik van Chava, die ongeduldig met zijn hoeven schraapt over de kinderkopjes van het dorp. Victor kijkt op en knippert even met zijn ogen. Hij pakt zijn spullen, bestijgt zijn paard en zet koers naar het noorden. Het is een frisse, winderige dag. Na uren in stilte door het landschap te hebben gesjokt (soms gepasseerd door automobilisten die meewarig omkijken of naar hun voorhoofd wijzen), ziet Quesada in de verte een dorpje opdoemen met enkele onvermijdelijke windmolens. Zijn hart slaat over, terwijl hij het half verroeste bord in de berm ziet, dat de reiziger erop wijst dat Casa de Hurtado aanstaande is. Geduld, prent Quesada zich hardop in. Een kleine twintig minuten sjokken later besluit Quesada dat het genoeg is en geeft Chava onhandig de sporen. Hij schopt het dier hard in de flank, dat daarvan zo schrikt dat het in draf het veld in rent, luidkeels aangemoedigd door Victor Quesada, die zich de vernuftige edelman waant en met gebalde vuist verwensingen gilt tegen de windmolen, die recht voor hen opdoemt. De halfblinde Chava draaft met een luide klap te pletter tegen de windmolen, duikt in het stof en lanceert Victor, die blootshoofds tegen de windmolen bonkt, zijn schedel en nek breekt en op slag sterft. Het paard richt zich nog even op, hinnikt vals en geeft alsnog de geest.
Pas na enkele uren vinden verbaasde dorpelingen het gestorven tweetal en begroeven de vreemdeling op het piepkleine kerkhof, zonder grafsteen. Het paard werd in stukken gesneden en verbrand op het erf van een van de boeren van het dorp. In de zadeltas vinden de inwoners van het dorp de Don Quichote, verfomfaaid maar leesbaar. Onder verbazend gemompel gaathet boek van hand tot hand. Het staat nu te verstoffen in een boekenkast bij Alejandro Cuesta, landbouwer te Casa de Hurtado. De windmolen van het dorp heeft op de plek van de botsing een vage bruine veeg op het witte pleisterwerk, de enige getuige van de eenzame strijd en groteske dood van Victor Quesada.
Laatste reacties